**1.** Het onderhoud van de wegen omvat alles wat nodig is om de wegen in goede staat te houden.
**2.** Tot het in goede staat houden van de wegen behoort in ieder geval:
het handhaven van de aard en de afmetingen van de weg overeenkomstig de omschrijving in de legger, bedoeld in artikel 27 van de Wegenwet;
het zodanig afwaterend houden van de weg, dat het water steeds vrij kan aflopen;
het deugdelijk aanvullen van sporen en andere laagten en het onder een behoorlijk profiel houden van de weg;
het in lichte kleur houden van de leuningregels van bruggen en andere kunstwerken;
het zoveel mogelijk wegruimen van sneeuw, wanneer het verkeer over de weg in belangrijke mate wordt gehinderd door ophoping hiervan en het zo mogelijk nemen van maatregelen om het gevaar te ondervangen, dat voor het verkeer kan ontstaan door ernstige gladheid van het wegdek als gevolg van ijsvorming;
het in doelmatige staat houden van de wegbebakening en van de bewegwijzering;
zorgen voor goede afwatering van de weg door het geschikt houden van de sloten, greppels, goten, duikers en riolen die daarvoor dienen, met dien verstande dat de onderhoudsplicht voor sloten alleen geldt voor die helft van de sloot, die zich aan de wegzijde bevindt, tenzij, over dit onderhoud een afwijkende regeling bestaat;
het houden van de kunstwerken in een zodanige staat, dat weggebruikers ongehinderd kunnen passeren.
Hoofdstuk
Artikel 4.17