Naar hoofdinhoud
1.2.1 Een cliënt of zijn vertegenwoordiger doet een melding bij het ZVH. 1.2.2 Wanneer er door de cliënt of zijn vertegenwoordiger melding voor een ondersteuningsvraag wordt ingediend, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van de Verordening, wordt deze in behandeling genomen door het ZVH. 1.2.3 Het ZVH beoordeelt er sprake is van een ondersteuningsvraag voor een maatwerkvoorziening BW/MO/VO . Het ZVH stelt vast of een cliënt behoort tot de doelgroep die gebruik mag maken van de maatwerkvoorziening BW. Indien een cliënt niet behoort tot de doelgroep die in aanmerking komt voor BW/MO/VO, wordt deze doorverwezen naar de herkomst-gemeente dan wel naar een andere voorliggende voorziening. Indien de cliënt daarmee instemt, draagt het ZVH de reeds bekende informatie over de cliënt over aan de organisatie waarnaar wordt doorverwezen. Indien sprake is van een ondersteuningsvraag maatwerkvoorziening BW/MO/VO, neemt het ZVH de melding in behandeling. 1.2.4 In spoedeisende gevallen: a.wordt een melding voor BW/MO/VO gezien als een aanvraag en organiseert het college in overleg met aanbieders onverwijld de inzet van een tijdelijke (maatwerk-)voorziening voor BW/MO/VO, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en op grond van artikel 2.3.3 Wmo 2015, neemt het ZVH binnen vijf werkdagen na de inzet van een tijdelijke maatwerkvoorziening zoals bedoeld onder a. contact op met de aanbieder om afspraken te maken over de vervolgprocedure. wordt aan de aanbieder gevraagd om voor zover mogelijk de in het behandelplan of plan van aanpak afgesproken resultaten te betrekken bij het onderzoek. wordt de tijdelijke (maatwerk-)voorziening, zoals bedoeld onder a. ingezet voor de duur van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 1.3, en geldt voor maximaal 6 weken. . .

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel