1. Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
2.De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid.
Bij de weigering om een ID-bewijs te overleggen kan de bestuurlijke boete worden opgelegd.
Opleggen van de bestuurlijke boete kan lastig zijn wanneer het college van B&W niet weet met wie zij te maken heeft.
Indien duidelijk is dat een burger ID-fraude pleegt (hij zich bewust voor een ander uitgeeft (bijvoorbeeld in het kader van een aangifte, als bedoeld in de wet BRP), dan luidt het advies niet de weg van de bestuurlijke boete te nemen, maar hiervan aangifte te doen bij de politie. Het sanctioneren van ID-fraude past beter in het strafrecht.
1.25 De gelegenheidsgever
Onder gelegenheidsgever kan worden verstaan: degene die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatie moet bij beiden bekend zijn.
Verwijtbaar gedrag
Daarnaast moet het wel gaan om verwijtbaar gedrag. Hierover zegt paragraaf 2.4.3 van de nota van toelichting op dit artikel het volgende:
“In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen om degene die bewust toelaat dat een ander ten onrechte op zijn woonadres is opgenomen, een bestuurlijke boete op te leggen. Het gaat om die gevallen waarin een ingezetene weet dat zijn woonadres door een ander wordt misbruikt, in die zin dat die ander ook met dat woonadres is ingeschreven (bijvoorbeeld omdat die ander daar voordeel bij heeft in verband met uitkering of studie), terwijl hij ook weet dat die ander daar niet woont. Voorwaarde is wel dat de betrokkene dit bewust toelaat, hij moet op enigerlei wijze met de situatie hebben ingestemd. Voorkomen moet immers worden dat iemand die post op zijn woonadres ontvangt voor iemand (al dan niet bij hem bekend) die niet op zijn adres woont met een bestuurlijke boete wordt geconfronteerd, enkel en alleen omdat hij geen actie heeft ondernomen, bijvoorbeeld de gemeente heeft ingelicht..”
In de toelichting wordt aangegeven dat de verwijtbaarheid bewezen moet worden. Het bewijs van de verwijtbaarheid begint bijvoorbeeld bij het ondertekend hebben van een verklaring over de inwoning op het adres. Hierbij moet de toestemmingsgever verklaren dat hij naar waarheid verklaart dat betrokkene op zijn adres gaat wonen of woont. Tevens moet in de verklaring opgenomen worden dat als hij deze verklaring aflegt, terwijl betrokkene niet op dit adres woont, hij riskeert dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Bewust gelegenheid geven
De gelegenheidsgever moet zich bewust zijn dat hij de gelegenheid geeft aan iemand om zich in te schrijven op een adres als woonadres, terwijl hij er feitelijk niet woont. Het begin van bewustzijn begint bij het ondertekend hebben van een verklaring, waarin staat dat iemand woont of gaat wonen op zijn adres. Vervolgens kan uit het geheel van omstandigheden afgeleid worden in hoeverre hij de gelegenheid heeft gegeven dat betrokkene zich kon inschrijven op een adres, waar hij feitelijk niet woonde.
Ten eerste is het bewijs dat betrokkene feitelijk ergens anders heeft gewoond van belang. Dit kan afgeleid worden uit bewijsstukken die aan betrokkene tijdens een adresonderzoek worden gevraagd, zoals bankafschriften, persoonlijke poststukken, loon en uitkeringsstroken, abonnementen. Daarnaast kan het ter plaatse geconstateerd zijn. Het kan ook uit een terugmelding van een bestuursorgaan afgeleid worden. Ook kan het afgeleid worden uit verklaringen van betrokkene, degene die de verklaring inwoning aflegde of anderen.
Ten tweede is het van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de situatie dat betrokkene er niet woont al bestond toen de verklaring inwoning werd gegeven of dat betrokkene er eerst heeft gewoond en later weg is gegaan. In het eerste geval moet er altijd nagegaan worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat bewust de gelegenheid is gegeven. In het laatste geval zal eerst vastgesteld moeten worden hoe lang de periode is dat betrokkene niet meer woont op het adres en of degene die de verklaring inwoning aflegde heeft gemeld dat betrokkene niet langer op dit adres woont. Als de periode al een aantal maanden of langer voortduurt en de degene die de verklaring inwoning aflegde heeft de situatie laten voortbestaan, moet bepaald worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat er bewust gelegenheid is gegeven.
Ten derde moet bepaald worden of er andere omstandigheden die aanleiding zijn voor het feit dat iemand bewust gelegenheid heeft gegeven voor een onjuiste inschrijving op het adres. Hierbij kunnen een aantal omstandigheden een rol spelen, waaronder:
de relationele- of familieband tussen betrokkene en de degene die de verklaring inwoning aflegde. Hoe beter het contact of beter de familieband, des te aannemelijker is het dat degene die de verklaring inwoning aflegde weet waar betrokkene feitelijk woont;
De feitelijke afspraken over het doorsturen of afhalen van de post;
De feitelijke woonsituatie op het adres van de toestemmingsgever, zoals de oppervlakte en indeling van de woning, het aantal kamers, het aantal personen, de gestelde verblijfplaats van betrokkene, de aanwezigheid van een slaapplaats of persoonlijke spullen van betrokkene.
Als de gelegenheidsgever stelt dat het wél de bedoeling was geweest voor de ander om op zijn adres te komen wonen, maar dat dit door omstandigheden niet door is gegaan, zal aan de hand van het bovenstaande beoordeeld moeten worden of dit aannemelijk is. Als dit aannemelijk is, kan de bestuurlijke boete niet worden opgelegd. Als dit niet aannemelijk is, dan kan de bestuurlijke boete wel opgelegd worden. Overigens kan de gelegenheidsgever vrijgesteld worden van de boete, wanneer hij alsnog informatie over het adres van de burger geeft.
Aangenomen wordt dat de mogelijkheid van het opleggen van een boete al een afschrikkende werking zal kunnen hebben op mensen die er over denken hun familieleden behulpzaam te zijn bij het plegen van onder meer studiefinancieringsfraude. Van belang is dat dit voor de burger duidelijk is. Zie ook bijlage 5, model C.
Artikel 2.52
Identificatieplicht bij in persoon verschijnen
Onderdeel van Uitvoeringsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Heusden 2016