**1..** Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:
- - het opschorten, herzien of intrekken van het recht op uitkering ingevolge artikel 54 van de Participatiewet, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend.
- - het terugvorderen, zoals dit haar op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de de Participatiewet toekomt.
- - het verrekenen van de in de voorafgaande 6 maanden ontvangen middelen met dealgemene bijstand, zoals die haar op grond van artikel 58, vierde lid van de Participatiewet toekomt.
- - het bruteren van de vordering, zoals die haar op grond van artikel 58 lid 5 van de Participatiewet toekomt.
- - het invorderen van de vordering via een dwangbevel, zoals dit haar op grond van artikel 60, tweede lid van de Participatiewet toekomt.
- - het verrekenen van de vordering met de Participatiewet-, IOAW- of IOAZ-uitkering, zoals dit haar op grond van artikel 60, derde lid van de Participatiewet toekomt.
- - het in rekening brengen van rente en kosten ingeval van niet nakoming van de verplichting tot terugbetaling van teveel of ten onrechte genoten bijstand.
**2..** De bevoegdheden genoemd in lid a tot en met g gelden voor het college als algemene verplichtingen behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen.
**3..** Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien op grond van artikel 58, zevende lid onder a, b en d van de Participatiewet.