**1..** Het college hanteert als regel dat de geldlening of de verpanding van de kosten van de uitkering
verleend in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek of verpanding ineens
opeisbaar wordt en de aflossing aanvangt op het moment:
van beëindiging van de verstrekking van de uitkering;
van verkoop van de woning;
van overlijden van de belanghebbende;
van vererving na overlijden langstlevende echtgenoot;
dat belanghebbende in staat van faillissement komt te verkeren of de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van toepassing wordt verklaard op belanghebbende;
dat belanghebbende over een vermogen gaat beschikken dat hoger is dan het bescheiden vrij te laten vermogen van dat moment.
**2..** De aflossing vindt in maandelijkse termijnen plaats indien afbetaling ineens financieel gezien niet
mogelijk is. In dat geval:
vindt de aflossing gedurende ten hoogste 10 jaar plaats; en
wordt het maandbedrag van de aflossing telkens voor een periode van één jaar vastgesteld;
kan het maandbedrag tussentijds worden verhoogd of verlaagd indien de omstandigheden
daartoe aanleiding geven.
**3..** Het niet afgeloste deel van de geldlening wordt terstond ineens opeisbaar als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing.
**4..** Ingeval er sprake is van een situatie zoals bedoeld in voorgaand lid dan wordt van de aflossings- duur van ten hoogste 10 jaar afgeweken in die zin dat deze termijn verlengd wordt met de duur vande periode waarin de belanghebbende alsnog het totaal van de aflossingen verricht, die hij had moeten betalen als ware hij niet nalatig geweest. Met ingang van het verstrijken van die 120 maanden wordt de wettelijke rente bij belanghebbende in rekening gebracht over het totaal van de nog openstaande geldlening.
HOOFDSTUK 4
Artikel 18.