Burgemeester en wethouders verlagen de bijstandsnormen voor een alleenstaande/alleenstaande ouder of (echt)paar op grond van artikel 27 WWB als de uitkeringsgerechtigde lagere kosten van bestaan heeft door zijn woonsituatie. Het gaat hier om personen van 21 jaar of ouder tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 21 Participatiewet).
Als aan een door de uitkeringsgerechtigde bewoonde woning voor de uitkeringsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden verlagen burgemeester en wethouders de norm met 20% van de gezinsnorm.
Onderscheid maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken is niet noodzakelijk. Wanneer de uitkeringsgerechtigde uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kunnen burgemeester en wethouders altijd een beroep doen op hun bevoegdheid van artikel 18 lid 1 Participatiewet. Dit artikel richt zich voornamelijk op krakerssituaties en situaties waarin door ex-partners volledig in de woonkosten wordt voorzien.
De verlaging van 20% van de gezinsnorm geldt ook voor dak- en thuislozen. Dit met het idee dat daarmee de drempel om als zwerver in een woning te gaan wonen wordt verminderd. Wanneer dit in specifieke situaties problemen oplevert dan kunnen burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheden van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Wanneer de kosterdelersnorm van artikel 22a van de wet, voordat de verlaging wegens ontbreken van woonkosten is toegepast, al leidt tot gelijke of een lagere uitkering dan bij toepassing van de verlaging dan wordt de verlaging niet toegepast.