Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening WWIK gemeente Arnhem.
Algemene toelichting
De Wet Werk en inkomen kunstenaars (WWIK) geeft kunstenaars een aanvulling op hun inkomen als zij niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Startende kunstenaars kunnen de WWIK-uitkering gebruiken bij de opbouw van een winstgevende beroepspraktijk. Gevestigde kunstenaars kunnen met een WWIK-uitkering een tijdelijke terugval in het inkomen opvangen.
De uitvoering van de WWIK is door het Rijk opgedragen aan centrumgemeenten. De gemeente Arnhem is zo’n centrumgemeente. Het college voert de WWIK uit voor de in de regio Arnhem gelegen gemeenten.
Door de inwerkingtreding van de wet Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten per 1 januari 2010 is het college volledig financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de WWIK. Een aantal verplichtingen in de WWIK worden bevoegdheden. Dit gaat gepaard met beleidsvrijheid en met twee nieuwe verordeningsplichten.
Op grond van artikel 22, derde lid van de WWIK moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot:
de maatregel, bedoeld in artikel 22, eerste lid van de WWIK;
de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWIK in het kader van het financiële beheer.
Deze verordening is een uitvloeisel van de opdracht onder a. In de opdracht onder b wordt voorzien door de samen met onderhavige verordening vast te stellen Verordening Handhaving inkomensvoorzieningen gemeente Arnhem.
De legitimering van de WWIK vindt haar oorsprong in de erkenning van de bijzondere positie die kunstenaars innemen op de arbeidsmarkt, die op veel punten afwijkt van die van werknemers en (startende) zelfstandig ondernemers in andere marktsegmenten. Het autonome ontstaansproces van veel kunstvormen maakt dat de vraag of er voor het product ook een markt is niet altijd op de eerste plaats staat. Een kunstenaar die gebruik maakt van de WWIK, heeft alle vrijheid om naar eigen inzicht te werken aan de opbouw van een renderende beroepspraktijk. Tegelijkertijd is het de verantwoordelijkheid van de kunstenaar en diens eventuele echtgenoot om zelfstandig in de kosten van het bestaan te (gaan) voorzien. De kunstenaar kan maximaal 48 maanden een beroep doen op de WWIK. Het uiteindelijke doel is dat een kunstenaar en diens eventuele echtgenoot met gebruikmaking van de financiële ondersteuning via de WWIK er in slaagt om zoveel inkomsten uit kunst of anderszins te genereren dat hij of zij zelfstandig in de kosten van het bestaan kan voorzien, waarmee wordt voorkomen dat beroepsmatige kunstenaars na afloop van de WWIK-periode een (aanvullend) beroep op bijstand moeten doen.
De WWIK kent de verplichting dat de kunstenaar zich naar vermogen inspant om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien. Bovendien wordt de uitkering WWIK beëindigd als de kunstenaar niet langer beroepsmatig werkzaam is. Wanneer het college constateert dat de belanghebbende zich niet aan de uit de WWIK voortvloeiende verplichtingen houdt, is het college, daar waar dit niet leidt tot een beëindiging van de uitkering, bevoegd een maatregel op te leggen. Dit houdt ook in dat als belanghebbende verzuimd heeft informatie te verstrekken die van belang is voor het recht op uitkering, of de hoogte of de duur van de uitkering, het college de uitkering lager kan vaststellen. Een maatregel kan ook betrekking hebben op overtreding van de verplichtingen die krachtens artikel 20, vierde lid van de WWIK, aan de echtgenoot worden opgelegd. Ook in het geval dat de kunstenaar of zijn echtgenoot, voorzover het gaat om arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, de verplichting om inzage te geven in de administratie over het kalenderjaar waarin uitkering is verleend niet nakomt, is een maatregel mogelijk.
De omstandigheden waarin het college bevoegd is een maatregel op te leggen zijn opgenomen in artikel 20, eerste lid WWIK. In het Uitvoeringsbesluit WWIK werd voorheen de hoogte en de duur van de maatregelen voorgeschreven. De gebondenheid aan deze bepalingen in het Uitvoeringsbesluit WWIK komt nu te vervallen, daarvoor in de plaats treedt deze verordening. Aangezien het Uitvoeringsbesluit WWIK bij de maatregeloplegging aan kunstenaars tot op heden een toereikend instrument is gebleken, zijn de bepalingen uit voornoemd besluit ongewijzigd overgenomen in deze verordening. Het enige punt van verschil is te vinden in de bepalingen over zeer ernstige misdragingen. Ten aanzien daarvan is er geen reden kunstenaars anders te bejegenen dan ontvangers van een WWB of IOAW/IOAZ-uitkering en is dan ook de maatregelhoogte en –duur gelijk getrokken met die in de maatregelverordening WWB en de maatregelverordening IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk 3.
Artikel 11.
Citeertitel
Onderdeel van Maatregelverordening Wet werk en inkomen kunstenaars gemeente Arnhem