Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

en Artikel 7

Onderdeel van Maatregelverordening Wet werk en inkomen kunstenaars gemeente Arnhem

Maatregelwaardig is het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 22 WWIK. Artikel 22 WWIK biedt de grondslag voor het opleggen van een maatregel. Voor de concrete verplichtingen verwijst het naar artikel 20 WWIK. Artikel 20 van de WWIK luidt als volgt: Het college kan aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die zij nodig achten voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening. De kunstenaar is verplicht: naar behoren een administratie te voeren; zich naar vermogen in te spannen om met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien al dan niet in een gemengde beroepspraktijk; aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is; aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet; aan de adviserende instelling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de taken van de adviserende instelling; zich naar vermogen in te spannen om gebruik te maken van de, op verzoek van de kunstenaar, aangeboden voorzieningen, bedoeld in artikel 21. De kunstenaar legt de administratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar over aan het college: 1°. uit eigener beweging over ieder kalenderjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in artikel 16, of 2°. op verzoek van het college. De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, gelden ook voor de echtgenoot van de kunstenaar. Voorzover het betreft de echtgenoot die arbeid in een eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht, geldt de verplichting, bedoeld in het derde lid, ook voor de echtgenoot. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van de kunstenaar en zijn echtgenoot op wie de verplichting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, rust, de identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en neemt de aard en het nummer daarvan op in de administratie. Tegenover de verplichtingen van het tweede lid onderdeel f en van het vijfde lid staat geen maatregelbevoegdheid. Het niet, niet behoorlijk of niet tijdig nakomen van de overige verplichtingen van artikel 20 WWIK kan op grond van artikel 22 WWIK in combinatie met deze maatregelverordening tot een verlaging van de uitkering leiden. Bovendien kan in zijn algemeenheid het blijk geven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, leiden tot een maatregel. De maatregel wegens zeer ernstige misdragingen is apart in artikel 9 opgenomen. Bij het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, anders dan het niet nakomen van de in de WWIK genoemde verplichtingen, kan gedacht worden aan het onverantwoord interen van vermogen waardoor uitkeringsafhankelijkheid ontstaat of blijft bestaan. In de tabel op de volgende pagina is de complexe onderlinge verwijzing van verplichtingen, maatregelbevoegdheid en maatregelhoogte in schema gezet. Verplichtingen (art. 20 WWIK) en maatregelen (art. 22 WWIK / art. 7-9 Maatregelverordening WWIK) art 22 WWIK nakomen verplichting Verplichting genoemd in welke verplichting Art. 7 en 9 Maatr.verord. maatregel % 22.1.a tekortschietend besef - voorziening in bestaan 7.2.a 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.1 verplichtingen verband houdend met doel wet, strekken tot vermindering etc en gericht op doelmatige beroepsuitoefening 7.2.b 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.2.a naar behoren administratie voeren 7.2.b 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.2.b inspanningsverplichting zelfstandige bestaansvoorziening kunst 7.2.b 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.2.c inlichtingenplicht richting gemeenten 7.2.b 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.2.d identificatieplicht 7.2.b 10% 22.1.b niet/niet behoorlijk 20.3 leveren jaarcijfers 7.2.b 10% 22.1.c niet tijdig 20.2.c inlichtingenplicht richting gemeenten 7.1.a 5% 22.1.c niet tijdig 20.2.e inlichtingenplicht K&CO 7.1.a 5% 22.1.c niet tijdig 20.3 leveren jaarcijfers 7.1.a 5% 22.1.d door echtgenoot niet/ niet behoorlijk 20.4, dat weer verwijst naar 20.2.c inlichtingenplicht richting gemeenten 7.2.c 10% 22.1.d door echtgenoot niet/ niet behoorlijk 20.4, dat weer verwijst naar 20.2.d identificatieplicht 7.2.c 10% 22.1.d door echtgenoot niet/ niet behoorlijk 20.4, dat weer verwijst naar 20.3 leveren jaarcijfers 7.2.c 10% 22.1.e door echtgenoot niet tijdig 20.4, dat weer verwijst naar 20.2.c inlichtingenplicht richting gemeenten 7.1.b 5% 22.1.e door echtgenoot niet tijdig 20.4, dat weer verwijst naar 20.3 leveren jaarcijfers 7.1.b 5% 22.1.a zeer ernstig misdragen - zich niet te misdragen 9 20%

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel