Onverminderd artikel 18, eerste lid van de wet zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
de alleenstaande of het gezin dient te voldoen aan twee van de drie hierna genoemde voorwaarden:
in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand een uitkering als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet hebben ontvangen (Compensatie Eigen Risico);
te beschikken over een WMO-voorziening anders dan voor hulp in de huishouding, een Rea-voorziening, een voorziening in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;
te beschikken over een indicatiebesluit voor thuiszorg gedurende zes maanden of langer.
het inkomen is niet hoger is dan 120 procent van de toepasselijke norm, bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de wet, met dien verstande dat voor de alleenstaande jonger dan 65 jaar geldt, dat de toepasselijke norm wordt verhoogd met de maximale toeslag, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet en dat voor de alleenstaande ouder onder toepasselijke norm wordt verstaan: de norm die voor gehuwden geldt.
het vermogen is niet hoger dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 34, derde lid, van de wet.
Artikel 3.
Voorwaarden
Onderdeel van Beleidsregels categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten