Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Draagkracht uit inkomen

Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Moerdijk

Bij de toelichting op artikel 2 is het begrip draagkracht (uit vermogen) al omschreven. Dit artikel regelt de draagkracht uit inkomen. De zes gemeenten waarvoor het Werkplein Hart van West-Brabant de bijzondere bijstand uitvoert hebben tijdens intergemeentelijk overleg (3D-overleg d.d. 02 juli 2015 en POHO WI d.d. 31 aug. 2015) uitgesproken dat zij hun gemeentelijke inkomensgrenzen (zie onderstaand schema) vooralsnog niet willen aanpassen/harmoniseren. De overwegingen hierbij waren dat: de verschillen tussen de laagste en hoogste inkomensgrens vrij groot zijn, door zo’n aanpassing de omvang van de doelgroep wordt verkleind of verruimd en dat dit niet past binnen het thans voorgestane armoede –en minimabeleid en dat een forse ophoging van de inkomensgrens grote budgettaire consequenties heeft. Schema weergave draagkrachtpercentages zes gemeenten Gemeente: Etten-Leur Halderberge Moerdijk Roosendaal Rucphen Zundert Inkomensgrens voor draagkracht 120% Pw-norm 120% Pw-norm 110% Pw-norm 100% Pw-norm 100% Pw-norm 105% Pw-norm Hoofdregel is dat bij een inkomen boven de door de gemeente gehanteerde inkomensgrens, het overschrijdingsbedrag voor 35% als draagkracht uit inkomen wordt aangemerkt. Op deze hoofdregel bestaan enige uitzonderingen. De eerste uitzondering is beschreven in lid 3. De daar vermelde kostensoorten bijzondere bijstand hebben allemaal tot doel om het (maandelijkse) algemeen besteedbaar inkomen aan te vullen c.q. op te hogen. Gelet op die doelstelling wordt het netto inkomen voor zover dit de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijdt niet voor 35% maar volledig (=100%) als draagkracht uit inkomen aangemerkt. Een tweede uitzondering is dat middelen waarvan de wetgever, of de gemeente ingeval van een autonome bevoegdheid, heeft bepaald dat die op grond van art. 31 lid 2 Pw bij de verlening van algemene periodieke bijstand worden vrijgelaten, ook niet tot het inkomen worden gerekend bij de berekening van de draagkracht uit inkomen. De derde uitzondering is dat bij de afhandeling van aanvragen bijzondere bijstand en de te berekenen draagkracht uit inkomen de kostendelersnorm als bedoeld in art. 22a Pw niet wordt toegepast. Met de invoering van de kostendelersnorm wordt beoogd om rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en om stapeling van uitkeringen binnen een huishouden te voorkomen. Voorts wordt het van groot belang geacht dat het lonend blijft om op zoek te gaan naar werk. De kostendelersnorm draagt hieraan volgens de wetgever bij. Bij de verstrekking van algemene periodieke bijstand wordt de kostendelersnorm om deze redenen dan ook in volle omvang toegepast. Echter bij het verstrekken van bijzondere bijstand spelen andere overwegingen een rol. Allereerst heeft een aanvraag bijzondere bijstand betrekking op noodzakelijke bijzondere kosten van bestaan en niet op algemene bestaanskosten. Ook mensen met een ander inkomen dan algemene periodieke bijstand kunnen geconfronteerd worden met bijzondere kosten van bestaan en ook zij kunnen bij een ontoereikend inkomen een beroep op de bijzondere bijstand doen. Tot slot is hantering van de kostendelersnorm voor de uitvoering van bijzondere bijstand onnodig ingewikkeld omdat de overige meerderjarige personen die in dezelfde woning wonen dan bij de beoordeling moeten worden betrokken wat gepaard gaat met hogere uitvoeringskosten. Een vierde uitzondering is dat het recht op andere inkomensondersteunende regelingen op grond van § 4.1 van de Pw, te weten: individuele inkomenstoeslag, koopkrachttegemoetkoming, en individuele studietoeslag, geen gevolgen heeft voor de draagkrachtberekening bijzondere bijstand. Een vijfde uitzondering vormt de pensioenvrijlating op grond van art. 33, 5e lid Pw. Hiervoor geldt, net als bij de hiervoor beschreven tweede uitzondering, dat die bij de verlening van algemene periodieke bijstand ook wordt vrijgelaten. In dit artikel zijn verder een aantal andere bepalingen opgenomen die van belang zijn voor de berekening van de draagkracht uit inkomen. Zo bevatten het 4e en 5e lid regels omtrent welk (periodiek) inkomen voor de berekening van de draagkracht uit inkomen van belang is. Het 10e en 11e lid bevatten bepalingen hoe een aanvraag bijzondere bijstand beoordeeld moet worden als de aanvrager/belanghebbende (problematische) schulden heeft. In dit verband is het bepaalde in artikel 13, 1e lid onder g Pw van belang. In dit artikel is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat als bijstand wordt gevraagd ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast. Door bij een aanvraag bijzondere bijstand en de te maken draagkrachtberekening uit inkomen rekening te houden met de (maandelijkse) aflossing op schulden, wordt die draagkracht uiteraard lager. Door dus rekening te houden met de aflossing op schulden ontstaat een situatie dat op indirecte wijze (bijzondere) bijstand in schulden verleend wat niet wenselijk is. Om die reden is in het 10e lid bepaald dat wanneer het netto ontvangen (maand)inkomen van de aanvrager/belanghebbende lager uitvalt omdat er executoriaal beslag op diens inkomen is gelegd, met die beslaglegging geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de draagkracht uit inkomen. Wanneer de schuldsituatie van de aanvrager/belanghebbende echter zo problematisch is dat deze door de rechter in een schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) is geplaatst waarbij het doel van dat traject is dat betrokkene na afloop daarvan schuldenvrij is, wordt gelet op die WSNP-doelstelling in afwijking van het bepaalde in het 10e lid betrokkene geacht geen draagkracht uit inkomen te hebben. Alhoewel het aantal aftrekposten bij de Wet op de Inkomstenbelasting de laatste jaren (sterk) is ingeperkt, kan het voorkomen dat er bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een kostensoort die ook als aftrekpost kan worden opgevoerd bij de jaarlijkse aanslag Inkomstenbelasting met als gevolg dat de definitieve aanslag Inkomstenbelasting daardoor (iets) lager wordt. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt met zo’n eventuele toekomstige belastingvermindering/teruggave geen rekening gehouden. Overweging hierbij is dat deze situatie zich in beperkte mate zal voordoen en dat het vanuit kosten-batenoogpunt bezien onevenredig veel werk met zich brengt om in dergelijke gevallen bijzondere bijstand te gaan verstrekken als verhaalbare bijstand met de daarbij samen-hangende dossierbewaking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel