Als er sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen en de aanvrager/belanghebbende moet daarom zich voordoende bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan uit eigen middelen betalen, dan dient hieraan ook een termijn te worden gekoppeld. Een gebruikelijk tijdvak is een draagkracht-periode van 1 jaar. Deze periode van een jaar vangt aan op de 1e dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Dit vanwege de relatie met de ingangsdatum van de bijzondere bijstand (zie artikel 9 van deze beleidsregel). Voor de uitzonderlijke gevallen waarbij de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, wordt logischerwijs gekozen om de draagkracht te laten ingaan op de 1e dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan waarvoor de bijzondere bijstand wordt verleend. Omdat er groepen burgers zijn waarbij de personele –en/of financiële omstandigheden normaliter niet wijzigen (bijv. gepensioneerde mensen met een AOW-uitkering en een vast maandelijks pensioen), voorziet het beleid er in dat voor specifiek te benoemen groepen belanghebbenden beleidsmatig de mogelijkheid wordt gecreëerd om de draagkracht voor een langere periode vast te stellen. Dit brengt administratieve lastenverlichting met zich mee voor zowel de belanghebbenden als voor het Werkplein als uitvoerende organisatie. Met name voor de bijzondere bijstand geldt dat dit een individuele maatwerkvoorziening is. De regeling voorziet daarom in de mogelijkheid om de draagkracht voor een kortere of langere periode dan de standaard jaartermijn vast te stellen, als de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geeft. Als een belanghebbende binnen de reeds vastgestelde draagkrachtperiode wederom een aanvraag voor bijzondere bijstand indient, behoeft er behoudens de hierna beschreven uitzondering geen nieuwe draagkrachtberekening te worden gemaakt en blijft de reeds vastgestelde draagkracht voor die periode gelden. Uitzondering is als de persoonlijke –en/of financiële omstandigheden van de belanghebbende ingrijpend zijn gewijzigd. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belanghebbende bij de vorige aanvraag alleenstaand was en bij de vervolgaanvraag gehuwd/samenwonend, het vermogen van belanghebbende tussentijds fors is gestegen door bijvoorbeeld een erfenis of een grote prijs in de loterij, of het inkomen fors is gestegen of gedaald. Een inkomensstijging of daling tot en met 20% wordt in deze niet als een ingrijpende wijziging aangemerkt. Van belang hierbij is tevens het bepaalde in artikel 3 lid 2 waar is bepaald dat van de berekende inkomensoverschrijding (slechts) 35% als draagkracht wordt aangemerkt. Deze benadering bevordert bovendien de re-integratie omdat bij werkaanvaarding en het verkrijgen van inkomsten uit arbeid die de bijstandsnorm overstijgen er niet direct gevolgen kleven aan het recht op bijzondere bijstand. De CRvB heeft bij uitspraak d.d. 25 juni 2013, kenmerk: CRvB 12 / 1504 WWB R004 93 bepaald dat dergelijk beleid de aan de gemeente toekomende beoordelingsruimte inzake het vaststellen van de draagkracht, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.