Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Samenloop van gedragingen

Onderdeel van Maatregelen- en handhavingsverordening Gemeente Almere 2016

Meerdaadse samenloop Lid 1 regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van meerdere verplichtingen voorzover die verplichtingen uitsluitend niet geüniformeerde verplichtingen als bedoeld in artikel 8 en 10 van deze verordening zijn. In dat geval wordt een maatregel opgelegd voor het gedrag waarop de zwaarste maatregel is gesteld. Lid 2 regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van meerdere verplichtingen zowel niet-geüniformeerde, 18 lid 2 Participatiewet als geüniformeerde, 18 lid 4 Participatiewet en 18b lid 1 Participatiewet als de inlichtingenverplichting. De maatregel behorend bij de geüniformeerde verplichting prevaleert boven de maatregel voor de niet-geüniformeerde verplichting gezien het ontbreken van een algemene discretionaire bevoegdheid van het college inzake de maatregelwaardigheid van geüniformeerde verplichtingen. Daarnaast dient het college, indien ook sprake is van schending van de inlichtingenverplichting een boete op te leggen omdat ook daar het college geen algemene discretionaire bevoegdheid heeft inzake het opleggen van een bestuurlijke boete. Wel kan het college bij het afstemmen van de maatregel voor de geüniformeerde verplichting op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet rekening houden met de opgelegde bestuurlijke boete. Er is bij deze meerdaadse samenloopbepaling is één uitzondering voor wat betreft het niet opleggen van een maatregel in het kader van de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen en dat is als er sprake is van zeer ernstig misdragen. Een maatregel op die grond wordt altijd opgelegd ook al is er sprake van samenloop met geüniformeerde arbeidsverplichtingen en een bestuurlijke boete. Ook hier geldt dat het college bij het afstemmen van deze maatregel op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet rekening houdt met de opgelegde boete en de opgelegde maatregel op grond van de geüniformeerde arbeidsverplichting. Er zijn geen geüniformeerde arbeidsverplichtingen voor belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW of IOAZ. Eéndaadse samenloop Lid 3 regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel niet geüniformeerde verplichtingen, artikel 18 lid 2 Participatiewet als van geüniformeerde verplichtingen, artikel 18 lid 4, artikel 18b lid 1 Participatiewet en de inlichtingenverplichting. In een dergelijke situatie kwalificeert die ene gedraging uitsluitend niet als schending van de verplichting als bedoeld in artikel 8 en 10 van deze verordening maar wel als schending van de overige genoemde verplichtingen. Indien de schending zowel kwalificeert als schending van de geüniformeerde verplichtingen als van de inlichtingenverplichting dan dient het college bij het afstemmen van de maatregel voor de geüniformeerde verplichting op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet rekening te houden met de opgelegde bestuurlijke boete. Er is bij deze ééndaadse samenloopbepaling één uitzondering voor wat betreft het niet kwalificeren als niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen en dat is als er sprake is van zeer ernstig misdragen. Er is in dat geval altijd sprake van een schending van die verplichting ook als er sprake is van samenloop met geüniformeerde arbeidsverplichtingen en de inlichtingenverplichting. Ook hier geldt dat het college bij het afstemmen van deze maatregel op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet rekening houdt met de opgelegde boete en de opgelegde maatregel op grond van de geüniformeerde arbeidsverplichting. Er zijn geen geüniformeerde arbeidsverplichtingen voor belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW of IOAZ. Samenloop intrekken bijstand Het college is op grond van artikel 54 leden 1 en 4 Participatiewet bevoegd de bijstand in te trekken als een belanghebbende, kort gezegd, de gevorderde bewijsstukken niet, niet volledig of niet tijdig verstrekt. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een maatregel moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele intrekking van de bijstand. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van de intrekking van de bijstand geen sprake is, kan op grond van deze verordening een maatregel worden toegepast. Lid 4 is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een maatregel moet worden opgelegd, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering van de uitkering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een maatregel worden toegepast. Lid 5 is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel