Bij het risicobeheer gelden als uitgangspunten:
De kasgeldlimiet van de Wet fido wordt niet overschreden.
De renterisiconorm van de Wet fido wordt niet overschreden.
Nieuwe leningen/uitzettingen/vervroegde aflossingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en liquiditeitenplanning.
Het renteniveau en de rentevaste periode van een nieuwe lening/uitzetting worden bepaald door de actuele rentestand en afgestemd op de rentevisie.
De gemeente streeft naar spreiding in rentevaste perioden van uitzettingen, zodat een gelijkmatige renterisicospreiding ontstaat.
De gemeente hanteert bij uitzettingen alleen producten waarvan de hoofdsom aan het einde van de looptijd in stand blijft.
De gemeente zet alleen middelen uit bij tegenpartijen met hoge kredietwaardigheid, te weten:
de Nederlandse Staat (schatkistbankieren), decentrale overheden, gemeenschappelijke regelingen;
financiële ondernemingen met minimaal een ‘A’ rating, gevestigd in een lidstaat met minimaal een ‘AA’ rating, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus.
De gemeente kan alleen aandelen houden voor de uitoefening van de publieke taak.
De gemeente maakt geen gebruik van derivaten (rente-instrumenten).
Artikel 3.
Richtlijnen en limieten bij het risicobeheer
Onderdeel van Treasuryverordening Leusden 2016