In mei 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep een aantal richtinggevende uitspraken gedaan over huishoudelijke ondersteuning en de resultaatgerichte maatwerkvoorziening. Deze uitspraken zijn verwerkt in deze Nadere Regels. Een van de eisen die de Centrale Raad stelt is dat bij de resultaatgerichte voorziening ten behoeve van het resultaat “een schoon en leefbaar huis” in de (beleids)regels of de beschikking vastgelegd moet worden wat verstaan moet worden onder een schoon en leefbaar huis. Hierin voorziet dit artikel.
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget
Met een persoonsgebonden budget (pgb) kunnen diensten, zoals begeleiding, huishoudelijke ondersteuning of kortdurend verblijf worden ingekocht, maar ook een woonvoorziening of een hulpmiddel, zoals een scootmobiel.
Een pgb vertegenwoordigt de (een afgeleide van de) geldswaarde van de goedkoopst passende bijdrage van een maatwerkvoorziening die het college in natura zou verlenen.
In het algemeen geldt dat geen pgb mogelijk is als het college, na de melding, een maatwerkvoorziening moet inzetten vanwege een spoedeisende situatie.
Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat de cliënt voldoet aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de cliënt het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft en zijn medewerking verleend aan het onderzoek. Deze voorwaarden worden afzonderlijk beoordeeld. Dit betekent ook dat als niet aan een van de voorwaarden wordt voldaan het college het pgb kan weigeren. De andere voorwaarden hoeven dan niet meer beoordeeld te worden.
1. De cliënt is op eigen kracht, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, voldoende in staat te achten tot een redelijke waardering van belangen aangaande de aan het pgb verbonden taken en in staat is deze op een verantwoorde manier uit te voeren (artikel 2.3.6 lid 2 onder a wet).
Het college beoordeelt of de cliënt - al dan niet met hulp van anderen - hiertoe in staat is. Daarvoor kan het college in ieder geval de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking nemen:
Het beheersen van de Nederlandse taal
De mate van beperkingen (licht, matig, zwaar) op het terrein van in ieder geval:
sociale redzaamheid
probleemgedrag
psychisch functioneren
geheugen- en oriëntatiestoornissen
Het vermogen om een overeenkomst op te stellen of aan te gaan met degene aan wie het pgb wordt besteed.
Het vermogen om de degene, aan wie het pgb wordt besteed, aan te sturen bij de te bieden maatschappelijke ondersteuning.
Als de cliënt iemand heeft gemachtigd om zijn belangen van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, stelt het college aan deze persoon dezelfde eisen als aan de cliënt.
Vertegenwoordiger
Artikel 1.1.1 tweede lid van de wet bepaalt wat onder een vertegenwoordiger wordt verstaan. Dat kan dus een persoon zijn die de cliënt kan ondersteunen bij de voorwaarden die gelden voor het recht op een persoonsgebonden budget. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger optreden:
echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de cliënt; dan wel (als deze ontbreekt);
diens ouder, kind, broer of zus.
Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet het college in voorkomende gevallen onderzoeken.
2. De cliënt stelt zich voldoende gemotiveerd op het standpunt waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te krijgen (artikel 2.3.6 lid 2 onder b van de wet).
Het pgb wordt alleen verstrekt op verzoek van de cliënt. Bij dat verzoek weet de cliënt voldoende te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te krijgen. Het college stelt geen bijzondere eisen aan de motivatie. Wel kan de cliënt al een budgetplan opgesteld hebben waarin de wens voor het pgb blijkt.
3. Er is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6 lid 2 onder c van de wet).
In artikel 3.1 lid 1 van de wet staat dat een maatwerkvoorziening in elk geval:
veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt,
afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,
verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;
verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.
Hulpmiddelen en woningaanpassingen
Ook voor deze maatwerkvoorzieningen geldt dat het college moet oordelen over de vraag of met het wel een kwalitatief verantwoorde maatwerkvoorziening wordt ingekocht.