• - Het college ziet af van het toepassen van een verlaging ex hoofdstuk 2 en 3 indien:
    • - elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
    • - de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden.
  • - Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
  • - Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
  • - Het college legt in nadere beleidsregels Afstemmingen vast wat onder ontbreken van verwijtbaarheid en dringende redenen moet worden verstaan.