Bij de vaststelling van de verlaging ex hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening wordt een beoordeling als bedoeld in artikel 18, lid 1 van de wet gemaakt van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert. Het college legt in nadere beleidsregels Afstemmingen vast wat reden kan zijn voor een nadere afstemming.
Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:
indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op 1 maand.
indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op 2 maanden.
indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op 3 maanden.
Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over 2 of 3 maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt ter vervanging daarvan de verlaging over 1 maand verdubbeld, danwel verdrievoudigd.
Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 18, lid 3 van de wet in beschouwing te worden genomen.
Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 6, lid 1 van deze verordening op de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:
Indien er sprake is van omstandigheden waardoor er aanleiding is om toch bijzondere bijstand te verlenen wordt op individuele gronden in meer of mindere mate afgeweken van het percentage als genoemd in artikel 6, lid 1 van deze verordening. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een geldlening, als bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de wet.
Hoofdstuk 4.
Artikel 10
Nadere afstemming van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW