Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 van de wet, wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm. De duur van de verlaging wordt vastgesteld op de periode dat de belanghebbende zonder algemene bijstand had gekund. Hierbij geldt een minimumduur van 1 maand en een maximumduur van 3 jaar.
In het geval van bijzondere bijstand is de afstemming 100% van het theoretisch te verstrekken bedrag aan bijzondere bijstand.
Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt in ieder geval gerekend:
het verwijtbaar verlies van inkomen uit een dienstbetrekking voorafgaand aan de melding voor een uitkering op grond van de wet;
het verwijtbaar verlies van inkomen anders dan door beëindiging van het dienstverband;
het te snel interen, danwel buiten het zicht overhevelen van vermogen;
het geen gebruik maken, danwel het door eigen toedoen geen gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen, waaronder sociale zekerheidsuitkeringen;
Afstemming vanwege het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, lid 4, sub a van de wet, nádat de melding voor een uitkering op grond van de wet heeft plaatsgevonden vindt niet plaats op basis van dit artikel, doch op basis van de wet.
Hoofdstuk 3.
Artikel 6
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW