Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente.
Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Om een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, omdat fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend naar 8,5% (stand 2015) van het begrotingstotaal bij aanvang van het dienstjaar.
Uitgangspunt is dat de kasgeldlimiet niet wordt overschreden.
Bij wijziging van de wet fido is artikel 4 aangepast, nu luidende: “indien een openbaar lichaam voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, stelt het daarvan de toezichthouder op de hoogte, en legt het de kwartaalrapportage en een plan om binnen de kasgeldlimiet te blijven ter goedkeuring voor aan de toezichthouder”.
Dit betekent dat in enig kwartaal de kasgeldlimiet overschreden kan/mag worden. Uiterlijk bij de derde overschrijding moeten structurele maatregelen aan de toezichthouder worden voorgelegd.