Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2

Reikwijdte verordening

Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2012

Artikel 4:23 Awb bepaalt dat subsidieverstrekking een wettelijke grondslag behoeft. In het artikel wordt een aantal uitzonderingen op deze eis genoemd waaronder een subsidie die concreet wordt vermeld in de begroting en een subsidie in incidentele gevallen. De ASA vermeldt in elk geval in het eerste lid dat subsidie kan worden verleend voor activiteiten op de beleidsterreinen die in de begroting worden genoemd. Daarbij wordt een aantal beleidsterreinen opgesomd. Daarmee biedt de ASA een brede basis voor subsidieverlening. Een benoeming van de beleidsterreinen biedt onvoldoende wettelijke grondslag zoals de Awb voorschrijft. Het kan nodig zijn per beleidsterrein nadere regels of een bijzondere verordening vast te stellen. Het geven van een nadere toelichting op de doelstelling en de achtergronden van de regeling en het beschrijven van de wijze waarop de gestelde doelen worden gerealiseerd vindt vaak plaats in een beleidsnotitie. Hierin is meestal ook de nadere invulling opgenomen van de criteria op grond waarvan subsidie wordt verleend dan wel geweigerd. Beleidsregels vormen geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van subsidies zoals bedoeld in artikel 4:23 Awb. Het van toepassing of van overeenkomstige toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb op subsidies hoger dan € 50.000 geldt voor periodieke respectievelijk eenmalige subsidies. Hiermee is in de eerste plaats beoogd de verordening zo eenvoudig mogelijk te houden door het opnemen van artikelen die al in de Awb zijn te vinden achterwege te laten. In afdeling 4.2.8 is namelijk al voorzien in een uitgebreide regeling voor het aanvragen, verlenen en vaststellen van subsidies. Zo is geregeld welke stukken bij een aanvraag moeten worden ingediend (artikel 4:61), aan welke vereisten deze stukken moeten voldoen (artikel 4:62 tot en met 4:65) en aan welke verplichtingen de subsidieontvanger zich dient te houden (artikel 4:69 tot en met 4:72). Daarnaast is bepaald welke stukken bij de aanvraag tot vaststelling moeten worden ingediend (artikel 4:75) en aan welke eisen deze stukken moeten voldoen (artikel 4:76 tot en met 4:80). In de tweede plaats is hiermee vastgelegd dat alleen aan de zogenaamde grote subsidies (zie ook de algemene toelichting) de eisen worden gesteld die afdeling 4.2.8 bevat. Voor de subsidies boven de € 50.000 brengt dit met zich mee dat er maar heel beperkt ruimte is om in nadere regels procedurele voorschriften te geven. Bij die subsidies voorziet afdeling 4.2.8. Awb immers al in aanvullende procedurele voorschriften. De nadere regels zien in die gevallen dus met name op meer inhoudelijke voorschriften. De bepalingen in de ASA zijn in beginsel van toepassing op alle subsidierelaties tenzij hiervan in een bijzondere verordening geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken. Dit zal het geval zijn als de aard van de subsidie of het beoogde doel van de te subsidiëren activiteit daartoe noodzaakt. In de toelichting op de bijzondere subsidieverordening moet worden aangegeven waarom de afwijking noodzakelijk is en in welke mate van de ASA wordt afgeweken, gedeeltelijk of in zo grote mate dat de ASA in feite niet meer van toepassing kan zijn. In het eerste geval -gedeeltelijke afwijking- moet duidelijk worden aangegeven welke artikelen afwijken van de bepalingen in de ASA. De bepalingen van de ASA waar in de bijzondere subsidieverordening niet van wordt afgeweken blijven onverkort van toepassing op de subsidierelatie. Is sprake van een zo grote afwijking dat de ASA in feite niet meer van toepassing is dan moet ook dát in de toelichting op de bijzondere subsidieverordening worden aangegeven. Aan te bevelen is in dat geval om bij het opstellen van de verordening te bezien of het nodig is bepalingen uit de ASA onverkort over te nemen om te voorkomen dat in de bijzondere verordening leemten ontstaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel