Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 14

Verantwoording subsidies vanaf € 5.000 tot en met € 50.000

Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen terzake. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd. Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. Daarbij is van belang dat vooraf al door de subsidieverstrekker moet zijn aangegeven op welke manieren dit kan plaatsvinden. Er kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie) enz. Met toepassing van artikel 3 ASA kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hen verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies, die aan een bekende ontvanger worden verstrekt dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit, dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger. Verder biedt artikel 3 van de ASA het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen over de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden verstrekt. Denkbaar is dat het college bepaalt dat het voor de verantwoording van een subsidie genoegen neemt met stukken en bewijzen die in het kader van de bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen al dienen op te stellen en die naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen. Waar het om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voor kleinere subsidies is er de mogelijkheid om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van subsidie voor een speeltoestel kunnen worden volstaan met het opsturen van een foto daarvan of iets dergelijks.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel