De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld.
Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren.
De weigeringsgrond in het eerste lid onder a geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De weigeringsgrond onder b ziet op de situatie dat op de begroting geen gelden voor een activiteit zijn gereserveerd. In dat verband wordt opgemerkt dat op grond van de Awb ook het bereiken van het subsidieplafond een weigeringsgrond vormt. Als het plafond is bereikt, wordt de aanvraag dus eveneens afgewezen.
De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor de subsidie zoals die in de ASA of nadere regels zijn gesteld (a). Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b en c). De weigeringsgrond onder c biedt bovendien de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft of zich in verband met de subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van portefeuillehouders en ambtenaren.
Verder kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat of de aanvrager de subsidie wel nodig heeft (d) dan wel twijfel of de subsidie zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (e en f). De onderdelen g en h tenslotte bevatten twee bijzondere weigeringsgronden.
Bij de weigeringsgrond onder g is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen.
Lid h tenslotte beoogt om de subsidiegever zich ervan te laten vergewissen dat het verlenen van de gevraagde subsidie niet leidt tot ongeoorloofde staatssteun.
De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, beoogt de beloning van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te maximeren. Omwille van deze, wenselijk geachte, beheerste bezoldiging van topfunctionarissen kan op grond van de WNT onder meer worden ingegrepen in salarisafspraken. De minister is daarbij de eerst aangewezen bestuurder.
Artikel 9 van de ASA 2013 sluit weliswaar aan bij de bezoldigingsnormen uit de WNT, maar de achtergrond en de reikwijdte van artikel 9 zijn uitdrukkelijk anders.
Het gaat in de verordening niet om een gewenste maximering van de bezoldiging van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen maar om een doelmatige en effectieve besteding van de beschikbare subsidiegelden bij alle instellingen die bij de gemeente een aanvraag om subsidie indienen.
De ASA verbiedt niet dat een gesubsidieerde organisatie hogere (ontslag)-vergoedingen overeenkomt dan de normen die zijn neergelegd in de WNT, maar maakt wel mogelijk dat het college de gevraagde subsidie weigert als blijkt dat hogere vergoedingen zijn of worden overeengekomen.
Uitbetaling van dergelijke hoge (ontslag)vergoedingen kan immers ten koste gaan van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
Als de subsidieontvanger honoraria betaalt die de WNT-normen overschrijden, rijst de vraag of subsidiegelden wel doelmatig en effectief worden besteed en of deze gelden wel voldoende ten goede komen aan de activiteiten van de subsidieontvanger.
Het is dan ook noodzakelijk dat het college bij de beslissing omtrent de subsidieverlening een afweging kan maken of de bezoldigingskosten van de organisatie in verhouding staan tot de activiteit en de daarvoor gevraagde subsidie. Wanneer dat niet het geval is, kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren.
Hetzelfde geldt als het een uitkering betreft wegens de beëindiging van een dienstverband.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 9
Weigeringsgronden
Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013