Ad a.
Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.
Ad b.
De term “beperkingen” is ontleend aan de International Classification of Functioning, Disability, and Health (ICF), opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”
Ad c.
De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Om de doegroep te kunnen begrenzen is gekozen voor beperking die objectief zijn vast te stellen. Om die vast te kunnen stellen wordt deskundig advies opgevraagd.
Ad d.
De begripsomschrijving “zelfredzaamheid” komt uit de toelichting op het genoemde amendement-Miltenburg.
Ad. e.
De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de wet).
Ad f.
De begripsomschrijving “maatschappelijke participatie” is, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg.
Ad. g. en h
Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van al bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als een voorzieningendepot, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte (dan wel geen) toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en mogelijk geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.
Ad h.
“Algemene voorzieningen” hebben in het kader van deze verordening voorrang op “individuele voorzieningen”. Waar mogelijk zal eerst een “algemene voorziening” worden aangeboden, waar nodig zal een “individuele voorziening” worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen zoals op dit moment bekend uit de Welzijnswet.
Ad. i.
De begripsomschrijving van het”Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning” behoeft geen nadere uitleg.
Ad. j.
Dit is een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere regels voor de pgb in het algemeen en per voorziening zijn in het besluit opgenomen.
Ad k.
De bevoegdheid voor het vragen van een “eigen bijdrage” of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit. In de AMvB wordt bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.
Ad. l.
Een “financiële tegemoetkoming” is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet direct een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.
Ad m.
“Natura voorzieningen” zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei “financiële tegemoetkoming” worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening (zoals bv. de huishoudelijke hulp via een zorgaanbieder)
Ad n.
Het is onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als ”algemeen gebruikelijk” beschouwd. Wat in een concrete situatie als “algemeen gebruikelijk” te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:
Die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;
Die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;
Die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.
Het begrip“algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie onder “u”.
Ad o.
Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De “meerkosten” zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze “meerkosten” per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze “meerkosten”, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.
Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een “algemeen gebruikelijk” deel onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de “meerkosten”, kan in die situatie van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van “eigen bijdrage” of eigen aandeel, zodat de regels wat dat betreft niet van toepassing zijn.
Ad p.
Het uitgangspunt van de beschrijving van het begrip “huisgenoot” ligt in het Protocol Gebruikelijke zorg. In plaats van ‘volwassenen’ is de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.
Ad q.
De “budgethouder” is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.
Ad r.
“De compensatieplicht” strekt zich uit tot de inwoners van de gemeente. De gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) geeft hierover uitsluitsel. Als de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de goedkoopst adequate oplossing is of dat een al geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de aanvrager vertrekt, heeft hier geen inzicht in. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte voor de aanvrager die in een AWBZ-instelling verblijft, is bovenstaande formulering van belang. Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten gemeente.
Ad s.
De bedoeling is om een helder onderscheid te maken tussen de woonruimte van een aanvrager en de delen van het gebouw waar betrokkene woont, die ook door anderen kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een “gemeenschappelijke ruimte” als betrokkene door deze ruimte moet gaan om zijn woning te betreden en ook alleen maar die woning kan betreden via deze ruimte. Het is wat omslachtig c.q. juridisch geformuleerd. De gemeente vergoedt geen aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten, dit is de verantwoordelijkheid van de woningbouwvereniging. De uitzondering betreft de toegang tot het gebouw (zie artikel 5,12).
Ad t.
In de Wmo hebben gemeenten de verantwoordelijkheid gekregen voor lichtere vormen van hulp en ondersteuning. Een van de belangrijkste in het oog springende nieuwe verantwoordelijkheden van de gemeenten is de verantwoordelijkheid van de hulp bij het huishouden. Voor de hulp bij het huishouden zijn de kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (WMCZ) en de Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector (WKCZ) van toepassing. “Hulp bij het huishouden” kan ook aan mantelzorgers geboden worden die tijdelijk van hun last ontheven moeten worden. Men kent dit onder het begrip "respijtzorg".
Ad u.
Met het begrip “Gebruikelijke zorg” wordt verwezen naar wat is opgenomen in het Protocol/ Document “Gebruikelijke Zorg”, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. De gemeente hanteert dit protocol bij het vaststellen van de hulp bij de huishouding. Er wordt maatwerk geleverd als het gaat om kinderen met chronisch zieke of langdurig gehandicapte ouders.
Ad. v
De begripsomschrijving AWBZ behoeft geen nadere toelichting.
Ad. w.
Het “compensatieplicht” is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatieplicht ontbreekt. In de verordening wordt nu gesproken van compensatieplicht. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, de ‘uitvinder’ van de compensatie. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.
Ad. x.
Die “motiveringsplicht” is onder de werking van de Wmo verder aangescherpt. Gemeenten moeten hun besluiten verder motiveren – uitgebreider de redenen en overwegingen beschrijven - dan waar ze op grond van de Algemene wet bestuursrecht al toe verplicht zijn.
Ad. y.
De begripsomschrijving “keuzevrijheid” behoeft geen nadere toelichting.
Ad. z
De begripsomschrijving “indicatiestelling” behoeft geen nadere toelichting.
De overige begripsomschrijvingen behoeven geen nadere uitleg.
HOOFDSTUK 1
Artikel 1.1.
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Ridderkerk 2009