Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening op de speelautomaten 2001

Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende begrippen gehanteerd: de Wet : de Wet op de kansspelen; speelautomatenbesluit : Koninklijk Besluit van 23 mei 2000, staatsblad 223; speelautomaat : een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premie, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; behendigheidsautomaat : een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde spelduur of het recht op gratis spelen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur wordt verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt; kansspelautomaat : een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is; hoogdrempelige inrichting : een inrichting, waar een bedrijf of werkzaamheid wordt uitgeoefend als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet; waarvoor ingevolge die wet vergunning is verleend en deze nog van kracht is, en; waar het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend, en; waarvan de activiteiten in belangrijke mate zijn gericht op personen van 18 jaar en ouder; laagdrempelige inrichting : een inrichting die geen hoogdrempelige inrichting is, en waarvoor ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet vergunning is verleend en deze nog van kracht is of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfschap Horeca.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel