Een woonvoorziening wordt niet toegekend als genoemd in artikel
4.1:
voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van
de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
materialen;
voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op
een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
woningbouw;
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
geen aanleiding bestaat/bestond en er geen andere belangrijke
reden aanwezig is/was;
de persoon met beperkingen niet verhuist/is verhuisd naar de
voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk
toestemming is verleend door het college;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
een onverwacht optredende noodzaak;
de persoon met beperkingen verhuist/verhuisd is vanuit of naar
een woning die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
worden of naar een AWBZ-instelling of een andere instelling
gericht op het verstrekken van zorg;
indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen
de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of
woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen
bewoonde woning;
indien de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
ondervonden.
i. indien de woning ook na aanpassingen niet langdurig geschikt
is voor de bewoner(s).
De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
ondersteuning 24-2-2011).
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.4.
Geen toekenning van een woonvoorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009