Naar hoofdinhoud

Afdeling III

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Parkeerverordening 2017

1.. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunninghoudersparkeerplaats, een autodateplaats of oplaadpunt elektrisch rijden slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig of brommobiel te parkeren of geparkeerd te houden: zonder vergunning; zonder dat het motorvoertuig of brommobiel duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning achter de voorruit van het motorvoertuig/brommobiel dan wel bij gebreke van een voorruit op een anderszins zichtbare plaats; in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: een eigenaar of houder van een motorvoertuig/brommobiel die in het bezit is van een geldige en leesbare gehandicaptenparkeerkaart (GPK) en deze op een zichtbare plaats achter de voorruit van het voertuig heeft aangebracht voor zover deze eigenaar/houder het motorvoertuig/brommobiel heeft geparkeerd op een vergunninghoudersparkeerplaats; vergunninghoudersparkeerplaatsen in zone E, indien de eigenaar of houder van een motorvoertuig/brommobiel overeenkomstig het Besluit Parkeerschijf van 15 december 1997 (Staatscourant 245/1997) heeft voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen en waarbij de toegestane parkeerduur van maximaal 1 uur niet is verstreken. 3.. Het is verboden om de vergunning al dan niet tegen betaling oneigenlijk te (laten) gebruiken, te (foto)kopiëren, na te tekenen dan wel op enige andere wijze te (laten) reproduceren of om eigenmachtig wijzigingen op de vergunning aan te brengen. 4.. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel