11.1 Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde door een schriftelijke mededeling aan het dagelijks bestuur ontslag nemen.
11.2 Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt ook door het verloop van de periode als bedoeld in artikel 10.2 en voorts op het moment dat de raad of de staten die het lid hebben aangewezen, het vertrouwen van iemand als lid van het algemeen bestuur heeft opgezegd, of op het moment dat iemands lidmaatschap van de raad, de staten of enig college eindigt.
11.3 De betrokken raad of de staten voorziet zo spoedig mogelijk in een (tussentijdse) vacature, doch uiterlijk binnen zes (6) weken na het ontstaan daarvan. Het lid dat ontslag neemt als bedoeld in artikel 11.1 als lid van het algemeen bestuur blijft lid van het algemeen bestuur tot zijn opvolger zijn benoeming heeft aanvaard.
Paragraaf
Artikel 11