30.1 Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks vóór 15 maart een ontwerpbegroting voor het eerstvolgende boekjaar. De ramingen in de ontwerpbegroting gaan vergezeld van een verslag van de werkzaamheden over het afgelopen jaar.
30.2 De algemeen financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening worden jaarlijks vóór 15 april aan de raden en staten aangeboden.
30.3De ontwerpbegroting wordt jaarlijks in ieder geval acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, aan de raden en de staten toegezonden. De raden en staten kunnen hun gevoelen en bezwaren tegen de ontwerpbegroting vóór 1 juni kenbaar maken aan het dagelijks bestuur.
30.4 Het algemeen bestuur stelt, kennis genomen hebbende van de in artikel 30.2 bedoelde gevoelens en bezwaren, de begroting vast vóór 15 juli, waarna de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus aan de Minister van Binnenlandse Zaken wordt toegestuurd.
Paragraaf
Artikel 30