In 2013 heeft de Onderwijsinspectie een nulmeting uitgevoerd naar de kwaliteit van vve in Rhenen. Het beeld dat naar voren kwam was in overeenstemming met het landelijke beeld. De onderwerpen resultaatafspraken, ouderbeleid, volledig bereik en doorgaande lijn moesten nog verder worden uitgewerkt. Deze onderwerpen zijn de afgelopen jaren verder vormgegeven met betrokkenen in de werkgroep vve en het beleidsoverleg jeugd – onderwijs. In 2012 is door de betrokken partners het convenant vve getekend. In 2015 is het convenant geëvalueerd. Deze evaluatie is bij de opstelling van het harmonisatieplan meegenomen. Na de harmonisatie wordt dit convenant aangepast en geactualiseerd. Vanaf 2018 gaat waarschijnlijk het nieuwe rijkskader onderwijsachterstanden gelden. Dit kan ook aanleiding geven het convenant te wijzigen.
De inspectie van het ministerie van onderwijs, cultuur en sport richt zich op de onderstaande domeinen. Deze zijn belangrijk voor een kwalitatief goede uitvoering van reguliere peuteropvang en vve. Onderstaand worden deze toegelicht.
5.1 Doelgroepcriteria en doelgroepbereik
5.1.1 Doelgroepcriteria
Wettelijk gezien wordt voor de definitie van een doelgroepkind uitgegaan van het gewicht (conform de gewichtenregeling van het primair onderwijs). Gemeenten zijn vrij om aanvullende criteria voor de doelgroepbepaling op te stellen. Door een duidelijke omschrijving van de doelgroep te maken is de toeleiding naar de voorschoolse educatie beter te regelen en is inzicht in het bereik van de voorschoolse educatie mogelijk.
De doelgroep van de vroegschoolse educatie (dus voor kinderen in de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs) wordt bepaald door de gewichtenregeling van het primair onderwijs. Deze regeling is gebaseerd op het opleidingsniveau van de ouders van het kind. Als de ouders na het basisonderwijs geen of nauwelijks een opleiding hebben genoten, wordt een gewicht aan de leerling toegekend.
Voor kinderen met een gewicht ontvangen scholen extra middelen om onderwijsachterstanden te voorkomen c.q. te bestrijden.
Voor de doelgroepbepaling voor de voorschoolse educatie wordt aangesloten bij de gewichtenregeling die voor de vroegschoolse educatie wordt gehanteerd. Deze regeling is echter beperkt en is daarom met een aantal criteria aangevuld.
Doelgroepomschrijvingen en indicatiestelling ( zie bijlage 3)
Op grond van bovenstaande is in Rhenen al in 2008 besloten om de doelgroep voor de voorschoolse educatie als volgt te omschrijven:
Kinderen met laag opgeleide ouders (maximaal lbo/vbo, praktijkonderwijs of vmbo basis- of kader beroepsgerichte leerweg);
Kinderen waarvan de ouders thuis met het kind geen of onvoldoende Nederlands spreken;
Kinderen waarbij sprake is van pedagogische onmacht en/of een onvoldoende stimulerende omgeving thuis en onvoldoende interactie tussen ouder/verzorger en het kind;
Kinderen met geconstateerde achterstanden op het gebied van taal-spraak en/of sociaal-emotionele ontwikkeling.
De jeuddverpleegkundige of jeugdarts van het consultatiebureau bepaalt aan de hand van een stroomschema welke kinderen tot de doelgroep behoren en verzorgt de toeleiding. De keuze om dit bij hen te beleggen heeft drie belangrijke redenen. Ten eerste wordt het consultatiebureau door bijna alle kinderen van 0 tot 4 jaar bezocht. Daarnaast hebben de jeugdverpleegkundigen en -artsen al een vertrouwensrelatie met de ouder opgebouwd, zodat ouders wellicht meer open staan voor hun adviezen over de voorschoolse educatie. Ten slotte registreert de jeugdgezondheidszorg nu al veel gegevens die van belang zijn voor de doelgroepbepaling. Door de doelgroepbepaling bij hen te leggen, worden deze gegevens optimaal gebruikt en wordt voorkomen dat ouders aan allerlei instanties inlichtingen over hun achtergrond en privésituatie moeten verstrekken.
Soms komt een achterstand pas later aan het licht, bijvoorbeeld als een kindje al op de peuteropvang of het kinderdagverblijf zit. In dat geval of als er getwijfeld wordt of een kind tot de doelgroep behoort, vindt er overleg plaats tussen de jeugdgezondheidszorg en de betreffende organisatie. De indicatie wordt dan door het consultatiebureau afgegeven.
5.1.2 Doelgroepbereik
Doelstelling is om een kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk vve-aanbod voor alle doelgroepkinderen te realiseren.
De gemeente is verplicht om voldoende vve-plaatsen voor doelgroepkinderen te realiseren en ook om zoveel mogelijk doelgroepkinderen te bereiken en toe te leiden naar vve. In samenwerking met het consultatiebureau, peuteropvang en kinderopvang is een sluitende keten van indicering en toeleiding tot stand gebracht.
Op basis van de gewichtenregeling moeten er 33 kindplaatsen vve in Rhenen aanwezig zijn. Dit aantal is lager dan het daadwerkelijke aantal kinderen met een vve-indicatie omdat er, zoals bovenstaand beschreven, een ruimere definitie van de doelgroep wordt gebruikt.
Op 31 december 2015 waren er 66 kinderen met een vve-indicatie. Bij veel kinderen is er sprake van een combinatie van redenen van indicaties.
Het rijk verstrekt vanaf 2016 extra financiële middelen om elke peuter in de toekomst de mogelijkheid te geven een voorschoolse voorziening te bezoeken. Uitgangspunt is dat door een betere toeleiding nog meer kinderen kunnen worden bereikt. Voor Rhenen wordt dit de komende periode nog verder uitgewerkt.
5.2 Vve-aanbod
Zes instellingen bieden momenteel peuteropvang/kinderopvang en voorschoolse educatie aan. Zij gebruiken hiervoor allen een gecertificeerd programma.
De Stichting Peuterspeelzaal Rhenen (SPR), Stichting Kinderopvang Rhenen (SKR), Kinderopvang de Regenboog en Stichting Kindcentra de Link maken gebruik van het programma Uk en Puk. Peuterspeelzaal het Visnet maakt gebruik van Startblokken.
Peutergroep Willem Teellinck gebruikt diverse programma’s nl Doe meer met Bas, Peuterplein en Puk en Co.
5.3 Toeleiding en verwijzing
Voor een goede en systematische toeleiding naar de voorschoolse instelling is een stroomschema ontwikkeld. Hierin zit een opbouw, waarbij het principe ‘geen dwang, wel drang’ leidend is. Ouders kunnen niet gedwongen worden om hun kinderen deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie. Wel wordt er bij hen op aangedrongen, omdat hun kinderen erbij gebaat zijn. Als diverse gesprekken tijdens reguliere consulten nog niet tot een aanmelding hebben geleid, wordt telefonisch contact opgenomen met de ouders. Daarbij wordt een huisbezoek en eventueel een gezamenlijk bezoek aan het peuteropvang/kinderdagverblijf aangeboden.
Andere maatregelen die met de betrokken organisaties over de toeleiding zijn afgesproken:
Structurele uitwisseling van gegevens tussen het consultatiebureau en de peuteropvang/kinderdagverblijven waar voorschoolse educatie wordt aangeboden. Hiermee wordt gecontroleerd of doelgroepkinderen inderdaad ingeschreven zijn. Als dit niet het geval is, kan de jeugdgezondheidszorg daarop actie ondernemen. Uiteraard gebeurt dit met inachtneming van de privacy regels.
Het betrekken van andere partijen bij de toeleiding. Hierbij kan vooral gedacht worden aan basisscholen, omdat zij de gezinnen vaak goed kennen en jongere broertjes of zusjes kunnen toeleiden. Maar ook het CJG, huisartsen, imams, predikanten, etc. kunnen worden betrokken. De vve- coördinator is voor deze personen de contactpersoon en zal hen voorlichten over het bestaan en het nut van voorschoolse educatie.
5.4 Ouderbetrokkenheid
Betrokkenheid van ouders vergroot de effectiviteit van vve, vooral als de ouders thuis met hun kinderen ontwikkelingsgerichte activiteiten doen. Dat maakt ouders een onmisbare schakel tussen peuteropvang/kinderdagverblijf, school en kind. Ouders en instellingen hebben elkaar nodig: als partner in de opvoeding en ontwikkeling, als klankbord, in de medezeggenschap op (voor)school, als vrijwilliger en natuurlijk als gesprekspartner. We richten ons met het ouderbeleid op ouders van kinderen met een vve-indicatie in de leeftijd van 0-6 jaar. Het consultatiebureau heeft in de periode 0- 2 jaar een belangrijke rol in het contact met ouders.
Een optimale situatie wordt bereikt als de (voor) school en ouders samenwerken en samen de verantwoordelijkheid nemen voor de optimale ontwikkeling van kinderen waarbij zij elkaar ondersteunen en versterken. Daarbij gaan we uit van de eigen kracht van de ouders en sluiten aan bij wat ouders zelf weten en kunnen. We vragen een actieve inzet van ouders op basis van het motto ’wij zorgen ervoor dat uw kind extra kansen krijgt, maar dan moet u daar zelf ook aan bijdragen’.
De gemeente gaat over het overkoepelende ouderbeleid dat leidend is voor inhoudelijke en organisatorische keuzes. Zij heeft een regisserende en stimulerende rol.
Uiteindelijk kiezen de voorschoolse voorzieningen en scholen zelf, binnen de visie en afgesproken doelen, welke doelen en activiteiten zij nastreven. Een instelling kan eigen accenten leggen. In ieder geval wordt bij de uitwerking van het ouderbeleid uitgegaan van de criteria zoals opgenomen in het onderdeel ouders van het toezichtskader vve.
Ouderprogramma’s
Aanvullend op het bovenstaande worden ouderprogramma’s uitgevoerd. Gemeentebreed is gekozen voor uitvoering van vve-thuis. Ouders leren in bijeenkomsten hoe ze hun kinderen kunnen stimuleren en ondersteunen in zijn of haar ontwikkeling.
Daarnaast wordt bij de pilot-startgroep gewerkt met Opstapje. Hiermee krijgen kinderen met laagopgeleide ouders een betere aansluiting op de basisschool.
5.5 Begeleiding en zorg
Algemeen streven is om zoveel mogelijk kinderen binnen de reguliere voorzieningen op te vangen en speciale hulp en zorg te brengen naar het kind en niet het kind naar de speciale hulp/zorg. Het gaat hier onder andere om vroegsignalering. Waarbij problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Ook werken voorschoolse instellingen samen met zorgpartijen en onderwijs. Zij voeren 2-4 keer per jaar overleg met het Centrum Jeugd en Gezin/jeugdgezondheidszorg. Indien nodig zorgen zij ervoor dat het kind in het casusoverleg van het jeugdteam wordt besproken. Vroegtijdig wordt ingeschat wat een kind nodig heeft om een goede overstap te maken naar het basisonderwijs. Zo nodig worden de samenwerkingsverbanden hierbij betrokken.
5.6 Doorgaande leerlijn
In de “Wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie” is bepaald dat gemeenten, schoolbesturen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven gezamenlijke afspraken maken over de organisatie van de doorlopende leerlijn van de voor- naar vroegschoolse educatie. Voor de effectiviteit van vve is het van belang dat voor- en vroegschoolse instellingen goed met elkaar samenwerken. Kinderdagverblijven en peuteropvang zijn verplicht gegevens aan te leveren over instromende leerlingen aan het schoolbestuur wat betreft het gevolgde vve-programma en de duur van het programma (art 167 Wet primair Onderwijs).
Het gebruik van hetzelfde overdrachtsformulier van de voorschoolse periode naar het basisonderwijs is voorjaar 2016 gemeentebreed ingevoerd. Er vinden zowel warme als koude overdrachten plaats. Bij vve kinderen vinden er altijd warme overdrachten plaats. Een warme overdracht is bijvoorbeeld persoonlijk contact tussen de pedagogisch medewerker en de intern begeleider van de school. Een koude overdracht (toesturen formulieren) vindt plaats als er geen bijzonderheden met de ontwikkeling van het kind zijn. Streven is dat ook de ouders/verzorgers bij de warme overdracht aanwezig zijn. Ook de gegevens van de observatieprogramma’s worden aan de basisschool waar het kind naar toe gaat verstrekt. De jeugdgezondheidszorg ontvangt een kopie van het overdrachtsformulier voor in het kinddossier.
5.7 Resultaatafspraken
In 2016 heeft de gemeente samen met de (voor)scholen afspraken gemaakt over de te bereiken resultaten van vve. Met deze gezamenlijke afspraken dragen we bij aan het kwaliteitsbewustzijn en aan de doelgerichtheid van vve. Jaarlijks wordt de voortgang op de resultaten in beeld gebracht, besproken door de Rhenense vve-partners en worden beleidsconclusies getrokken. In najaar 2016 wordt hiervoor het convenant Resultaatafspraken getekend.
In de voorscholen wordt van iedere in vve instromende doelgroeppeuter en weer uitstromende doelgroeppeuter (naar het basisonderwijs) het taalniveau vastgesteld met een landelijk genormeerd volgsysteem. Doel is dat indien een doelgroeppeuter instroomt met een achterstand op taal deze achterstand bij uitstroom uit de voorschool daadwerkelijk is verminderd.
Van iedere kleuter in de vroegschool wordt de taalachterstand vastgesteld bij de instroom in groep 1 en eind groep 2. Jaarlijks wordt tevens door de school het gemiddelde taalniveau bij instroom in groep 1 en eind groep 2 vastgesteld.
Doel is dat de gemiddelde ontwikkeling op taal van de groep instromers eind groep 2 daadwerkelijk is verbeterd.
De uitkomsten van de resultaatafspraken worden door de pedagogisch medewerker of leerkracht benut. Om de ontwikkeling van een kind en van de gehele groep te volgen en de uitkomsten te benutten voor de vve-uitvoering. Ook worden de uitkomsten op groepsniveau binnen de instellingen besproken, om de ontwikkeling van groepen te volgen, de relatie met de geboden educatie te leggen en de uitkomsten te benutten voor de uitvoering. Eveneens worden de resultaten tussen vve-locaties onderling van eenzelfde schoolbestuur (vroegscholen) of voorschoolse instelling besproken. De vroegschoolse locaties en aanleverende voorschoolse locaties overleggen met elkaar over de resultaten en het versterken van de doorgaande lijn.
Op gemeentelijk niveau worden de resultaten besproken in de werkgroep vve, het beleidsoverleg jeugd – onderwijs en desgewenst in het directeurenoverleg. Hiermee wordt de voortgang in beeld gebracht en mogelijke consequenties voor beleid doorgesproken.
5.8 Privacy en gegevensuitwisseling
Het is belangrijk om afspraken te maken over samenwerken en hoe om te gaan met privacy en gegevensuitwisseling. Hiervoor is in 2015 het samenwerkingsconvenant -9 mnd-100+ ondertekend waarin afspraken zijn gemaakt over de samenwerking tussen de gemeente Rhenen en de direct betrokken partijen die deelnemen aan de casusoverleggen. Tevens is een “Aansluitdocument Grondslag samenwerken Zorg en Veiligheid” opgesteld. Doel is het waarborgen dan wel het verbeteren van de kwaliteit van de dienst- en zorgverlening en de zorg- en gegevensoverdracht voor jeugdigen en volwassenen die dat nodig hebben. Uitgangspunt hierbij is dat er geen toestemming wordt gevraagd aan de cliënt (in geval van jonge kinderen de ouder) om gegevens te delen, maar dat de cliënt meegenomen wordt in het proces. Er wordt niet over de cliënt gesproken maar met de cliënt. De afspraken zijn van belang om te kunnen werken volgens het principe 1 gezin-1 plan-1 regisseur.
Artikel Domeinen Ministerie Onderwijs, Cultuur en Sport
Artikel Domeinen Ministerie Onderwijs, Cultuur en Sport
Onderdeel van Beleidsnotitie gesubsidieerde peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie (vve) - Gemeente Rhenen