Indien er sprake is van een commerciële huurovereenkomst tussen betrokkenen, worden zij op grond van art 22a lid 4 van de Participatiewet niet aangemerkt als zijnde elkaars kostendeler. Onder commerciële huur verstaan wij in dit verband:
Er is geen sprake van bloed- en –aanverwantschap en;
er is sprake van een schriftelijke huurovereenkomst waarin wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn, getekend door betrokkenen, of elk van de betrokkenen en een zelfde derde en;
er is sprake van een maandelijkse huurprijs gelijk aan of hoger dan de normhuur excl. gas/water/elektra en kabel zoals genoemd in artikel17 lid 2 van de wet op de huurtoeslag, verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 16 van de wet op de huurtoeslag en;
de overige kosten voor gas/water/elektra en kabel bedragen minimaal € 40 per maand en;
door middel van betaalbewijzen kunnen betrokkenen aantonen dat de maandelijkse huurprijs daadwerkelijk maandelijks wordt betaald via het digitale bancaire betalingsverkeer.
Aanvullend is ook van belang dat in de overeenkomst zoals bedoeld in lid 2 wordt afgesproken dat de verschuldigde vergoeding periodiek wordt verhoogd.
Hoofdstuk 2
Artikel 2