1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a moet overeenkomstig de
aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting
overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van
het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van
de parkeerapparatuur geschiedt door via het gebruik van een (stads)pas, een
telefoon, webapplicatie of vergelijkbare producten inloggen op de centrale
computer.
3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b moet overeenkomstig de
aangifte worden betaald voorafgaand aan de verstrekking van de vergunning.
4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 7
Termijnen van betalen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2017