De belasting als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
wordt geheven naar een vast bedrag per eigendom.
De belasting als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b,
wordt geheven naar een variabel bedrag voor het aantal kubieke
meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd voor zo
ver dat meer bedraagt dan driehonderd (300) kuub. Het aantal kubieke
meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water
dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande
verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt.
Ingeval de gebruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf
maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang
bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand
voor een volle maand gerekend.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden
afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie
met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden
afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien de vaststelling van hoeveel
opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke
bepaling.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of
gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als
afvalwater is afgevoerd.
Indien een eigendom niet is voorzien van een door het
waterleidingbedrijf verstrekte watermeter en/of een pompinstallatie
als bedoeld in artikel 4, derde lid, en door vergelijking met
soortgelijke eigendommen het vermoeden bestaat dat meer dan
driehonderd (300) kubieke meters afvalwater wordt afgevoerd, stelt
de in artikel 231 Gemeentewet bedoelde ambtenaar de hoeveelheid
afgevoerd afvalwater vast.
Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, lijdt uitzondering indien de
gebruiker van een daar bedoeld eigendom een door burgemeester en
wethouders goedgekeurde meetinstallatie aanbrengt, waarvan het
waterverbruik kan worden afgelezen. In dat geval is artikel 4,
tweede lid, van toepassing, met dien verstande dat de
verbruiksperiode wordt gesteld op de aan het belastingjaar
voorafgaande periode 1 januari tot en met 31 december.
Indien de hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in een voor een
belastingjaar relevante verbruiksperiode niet, of onvoldoende, met
toepassing van artikel 4, tweede lid, kan worden vastgesteld, stelt
de heffingsambtenaar de hoeveelheid afgevoerd afvalwater vast.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of
opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet
als afvalwater is afgevoerd.
Artikel 4
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017