Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp Leeuwarden 2017

3.1 Zorgplicht Met de invoering van de Jeugdwet is het recht op zorg vervallen. In plaats daarvan is de zorgplicht van gemeenten gekomen. De gemeenten moeten zorgen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van de verschillende vormen van jeugdhulp. Ieder kind dat een vorm van jeugdhulp nodig heeft, dient deze daadwerkelijk te krijgen (art. 2.6 Jeugdwet). Om de zorgplicht uit te kunnen voeren ontvangt de gemeente Leeuwarden middelen van het Rijk. De overheveling van middelen is gepaard gegaan met een korting op het beschikbare budget. Om de beschikbare middelen zo efficient mogelijk in te zetten wordt er altijd gekeken naar de doelmatigheid van de aangevraagde ondersteuning 3.2 Uitvoering van Leeuwarder model Het Leeuwarder model onderscheidt drie sporen van hulp en ondersteuning op het gebied van jeugd:  Zelf- en samenredzaamheid Zelf doen wat je kunt en/of een beroep doen op familie of buren. Maar ook met behulp van de pedagogische ‘civil society’, het opvoedklimaat in de directe omgeving van het kind, het consultatiebureau, het Opvoedpunt Leeuwarden etc.  Basisondersteuning: steun waar nodig Naast burgers bewegen ook professionals zich in de wijk. In het sociaal domein zet de gemeente de wijkteams centraal, die met generalistische sociaal werkers zich richten op alle leefgebieden van de burger. De sociaal werkers doen aan signalering, facilitering, activering en waar nodig ondersteuning met als doel het bevorderen van de zelfredzaamheid en sociale cohesie in de wijk. De sociale wijkteams zijn het centrale aanspreekpunt voor gezinnen met problemen (één huishouden, één plan). De sociale werkers bieden waar mogelijk lichte hulp en ondersteuning en kunnen doorverwijzen naar specialistische zorg.  Aanvullende ondersteuning: speciaal waar het moet Waar nodig zet het wijkteam aanvullende ondersteuning in. De taken/activiteiten van de sociaal werkers zullen in de wijken worden uitgevoerd. Het team vormt een brug naar de burgers in de wijk, functionarissen en andere professionals. Waar de aanvullende ondersteuning niet effectief op wijkniveau georganiseerd kan worden, verwijst de sociaal werker door naar lokaal of (boven-) regionaal georganiseerde zorg- en hulpverlening. 3.3 Algemeen afwegingskader Als een persoon aanspraak maakt op ondersteuning op basis van de Jeugdwet wordt dit verzoek gewogen. Uitgangspunt is dat er altijd gestreefd wordt naar passende en doelmatige ondersteuning. Het gaat daarbij om een individuele weging, waarbij altijd de volgende elementen betrokken worden: Woonplaatsbeginsel In de Jeugdwet is uitgewerkt hoe het woonplaatsbeginsel moet worden toegepast bij de inzet van deze voorzieningen. Hiermee wordt helderheid verschaft welke gemeente verantwoordelijk is voor de in te zetten hulp in bijzondere of onduidelijke gevallen. Gebruikelijke hulp Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. De sociaal werker bepaalt in gesprek met de bewoner op basis van de eigen professionaliteit en de input van de ouder(s) wat gebruikelijke hulp is in de individuele situatie. Indien nodig kan bij het bepalen van de gebruikelijke hulp het document ‘hulpmiddel gebruikelijke hulp’, die bij iedere sociaal werker bekend is, actief als instrument gebruikt worden. Eigen mogelijkheden Er wordt altijd eerst gekeken of de jongere en/of zijn ouders zelf of met behulp van het eigen netwerk of school tot een oplossing kan komen voor het probleem, de Eigen Kracht Conferentie kan hierbij een middel zijn. Jongeren en/of ouders hebben de mogelijkheid tot het indienen van een familiegroepsplan. Een familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. De sociaal werkers en/of de Eigen Kracht Centrale kunnen jongeren/ouders daarbij ondersteunen. Overige/ algemene voorzieningen Als er geen oplossing gevonden wordt binnen de eigen mogelijkheden of er aanvullend hierop een voorziening nodig is op het gebied van ondersteuning, wordt gekeken of dit een overige voorziening (vrij- toegankelijk) kan zijn. Bij een overige voorziening kan gedacht worden aan: • Preventieve opvoedprogramma’s • Jeugdgezondheidszorg • Lichte generalistische ambulante ondersteuning van het wijkteam Wanneer er een overige voorziening aanwezig is die passend is bij de hulpvraag dan kan er geen recht ontleend worden aan een individuele voorzieningen. Voorliggende voorzieningen Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op wordt gedaan voordat een individuele maatwerkvoorziening wordt overwogen. Voorliggend op de Jeugdwet is een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet Langdurige Zorg (WLZ), ziektekostenverzekering. Wanneer dit het geval is, zal er op grond van de Jeugdwet geen voorziening worden verstrekt Voor de begeleiding/ ondersteuning op het onderwijs is Passend onderwijs een voorliggende voorziening. Een voorziening in het kader van Passend Onderwijs kan wel aanvullend zijn op een individuele maatwerkvoorziening. Individuele maatwerkvoorziening: Ordeningsprincipe ‘Kind in Fryslân Het sociaal wijkteam gebruiktde Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM), inclusief het ouderschaps-supplement, als algemeen afwegingskader. De ZRM is een instrument waarmee de vraag en de zelfredzaamheid van de (volwassen) cliënt in kaart kan worden gebracht. Het concretiseert zelfredzaamheid op de volgende domeinen: inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke gezondheidszorg, fysieke gezondheid, verslaving, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Aan de ZRM is het supplement Ouderschap toegevoegd. Dit supplement bevat de domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal-emotionele ondersteuning, scholing en opvang. De ouderschapsdomeinen zijn bedoeld voor de beoordeling van volwassenen die het ouderlijke gezag hebben over minderjarige kinderen. De ZRM is als afwegingskader op het terrein van jeugdhulp niet toereikend omdat de ZRM inzicht geeft in de zelfredzaamheid van volwassenen en niet in problematiek bij de jeugdige. Om te bepalen of een overige voorziening dan wel een individuele voorziening in het kader van jeugdhulp nodig is, moet er aanvullend gebruik gemaakt worden van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân. Het is een instrument dat vanuit dialoog tussen cliënt en betrokken hulpverleners de problematiek van de jeugdige plaatst binnen een kader van vier opvoedingskwadranten. Het instrument wordt gebruikt om te bepalen welk type problemen er bij een (hun) kind of gezin speelt. Aan de hand van dit instrument wordt bepaald welke intensiteit van zorg noodzakelijk is en wie eventueel de geëigende instelling of partner is om deze hulp te bieden. Het belangrijkste criterium om vast te stellen welke vorm van hulp nodig is, wordt bepaald door de draagkracht – draaglastverhouding van de kinderen en/of de opvoeders. Deze benadering geeft vervolgens vier situaties aan. De genoemde opvoedingsfasen zijn samengevat in onderstaand schema Bij de vier opvoedingskwadranten past een bepaalde vorm van zorg of een interventie. Bij het kwadrant opvoedingsvragen is geen individuele maatwerk voorziening nodig. Bij het kwadrant opvoedingsspanning is er wel een lichte vorm van hulp of zorg nodig. Het kan gaan om een persoonlijk advies of een vorm van begeleiding. Bij de kwadranten opvoedingsnood en opvoedingscrisis is individuele ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening noodzakelijk. De sociaal werker moet in de situatie van opvoedingsvragen en -spanning vragen van kinderen en opvoeders kunnen beantwoorden, advies kunnen geven en eventueel bege- leiden. Wanneer de sociaal werkers om wat voor reden dan ook deze lichte hulp of zorg niet kunnen bieden en er is geen passende voorliggende voorziening voor handen, dan kan er een individuele maatwerk voorziening ingezet worden. (Opgemerkt moet worden dat het in het kwadrant opvoedingsspanning de voorkeur heeft om, waar mogelijk, voorliggende voorzieningen als de opvoedprogramma’s, maatjesprojecten etc. in te zetten.) Bij opvoedingsnood en opvoedingscrisis is de specialistische jeugdzorg per definitie verantwoordelijk voor de ingezette individuele maatwerk voorziening. De behandelcoördinatie ligt bij hen (vaak een gedragswetenschapper of bijv. GZ-psycholoog of psychiater); de sociaal werker behoudt wel de zorgcoördinatie voor het proces. Advies Welke deskundige nodig is, hangt af van de inhoud en complexiteit van de vraag en de kennis die nodig is voor een zorgvuldige beantwoording. Het wijkteam kan de beoordeling van welke deskundige nodig is het beste maken. Samen met de wijkteams wordt gekeken welke deskundigheid beschikbaar moet zijn voor advies, consultatie en kortdurende ondersteuning. In het geval dat het ondersteuningsplan zal leiden tot een zeer intensieve en complexe maatwerkvoorziening wordt altijd een deskundige geraadpleegd. Nood en crisis geeft al aan dat de situatie complex is. Tijdens deze vraagverheldering zal een extern deskundige geraadpleegd moeten worden voor een zorgvuldige beoordeling van de noodzakelijke individuele maatwerkvoorziening. De deskundige kan desgewenst aanschuiven bij de sociaal werker of meegaan naar het gezin. Ook bij minder complexe problematiek (in het kwadrant spanning) wordt een deskundige ingeschakeld. In dit kwadrant kan het ook een interne deskundige zijn van het wijkteam. In de situatie waarbij het VTO is betrokken of van bestaande hulptrajecten, waarbij er al extern deskundigen aanwezig zijn voor een zorgvuldige beoordeling, is het niet noodzakelijk deskundigenadvies in te schakelen. Dat kan wel als ‘second opinion’. In uitzonderingsgevallen kan afgeweken worden van bovenstaande als dit de zorgvuldigheid in het belang van de bewoner niet in het geding brengt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel