In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
moeten
de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
de tweede termijn één maand later.
In afwijking van het eerste lid geldt ingeval het totaalbedrag
van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen meer is dan €
85,- doch minder dan € 5000,- en zolang het totaalbedrag van de
op één aanslagbiljet verenigde aanslagen door middel van
automatische incasso van de betaalrekening van de
belastingschuldige kan worden afgeschreven, dat de aanslagen
moeten worden betaald in 8 gelijke termijnen, waarvan de eerste
vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in
de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens één maand later.
Indien de automatische incasso in de loop van het jaar wordt
beëindigd, gelden voor het nog openstaande deel van de aanslag
automatisch weer de oorspronkelijke twee betaaltermijnen waarvan
de laatste vervalt op de eerste dag van de tweede maand volgend
op de dagtekening van de aanslag.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit
artikel gestelde termijnen.
Artikel 11
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017