Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer, een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Het ligt op zijn weg om te stellen en te onderbouwen dat de betreffende algemeen gebruikelijke voorzieningen in zijn geval geen geschikte vervoermiddelen zijn in het zich kunnen verplaatsen binnen de leefomgeving met het oog op zijn participatie.
Ook wordt bij de beoordeling onderzocht of het (niet vraagafhankelijk) Openbaar Vervoer te voet, per fiets of in voorkomende gevallen per bus kan worden bereikt en vervolgens kan worden gebruikt. Het college houdt daarbij ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of gedragsstoornis van de cliënt. Voor de vraag of cliënt het Openbaar Vervoer kan bereiken en gebruiken is het in het algemeen redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (vergelijk CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator. In de praktijk kan het zijn, dat cliënt een kortere afstand kan lopen en binnen die afstand een bushalte heeft op de heen- en terugweg en in die gevallen van het Openbaar vervoer kan gebruikmaken. In die gevallen kan cliënt per verplaatsing bezien of deze gebruik kan maken van het toegankelijke Openbaar vervoer of gebruik maakt van het Wmo regiotaxi vervoer. Zo kan een nieuwe gebruikersgroep ontstaan: cliënten die soms met de taxi en soms met OV reizen.
Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden ook de volgende zaken meegenomen:
Mobiliteit:
maximale loopafstand op goede dag;
maximale loopafstand op slechte dag;
gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.);
gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel);
in staat gebruik te maken van de scootmobielpool.
Uithoudingsvermogen:
maximale reisduur;
kan gedurende de reis overstappen;
invloed weersomstandigheden op functioneren;
invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren.
Organisatie en begeleiding van de reis:
kan zonder begeleiding met het OV;
kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi;
kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi;
kan alleen met begeleiding met de taxi.
Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi:
kan met iedereen gecombineerd worden;
kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden;
kan met niemand gecombineerd worden.
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 3
Artikel 8.4