Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden hanteert het college bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening vanzelfsprekend het plan van aanpak (het verslag) en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Daarbij geldt dat de beoordelingskaders kunnen verschillen per soort maatwerkvoorziening. De hierna volgende onderdelen worden beoordeeld.
Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie?
Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, verbeteren, bevorderen of te behouden?
Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, te verbeteren of te behouden?
Het college kan bij het onderzoek na de melding gebruik maken van de Zelfredzaamheidsmatrix om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt te beoordelen. Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het plan van aanpak en voor zover aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt.
Welke weigeringsgronden, beperkende voorwaarden of beoordelingscriteria zijn van toepassing volgens de verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving of deze beleidsregels?
Welke mogelijkheden kan het college bieden om de gewenste resultaten (een passende bijdrage) te bereiken via een collectieve- en/of individuele maatwerkvoorziening?
Heeft de cliënt, indien hij dat wenst recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB?
HOOFDSTUK 2
Artikel 2.2
Beoordelingskader
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2017