Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening heffing en invordering van parkeerbelasting 2017

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon (of ander communicatiemiddel) inloggen op de centrale computer. 2.. De belasting bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 3.. Indien de vergunning bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, met uitzondering van de vergunning bedoeld in artikel 3.3 van de tarieventabel, in de loop van het belastingjaar wordt verleend, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.. Indien de vergunning bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, met uitzondering van de vergunning bedoeld in artikel 3.3 van de tarieventabel, in de loop van het belastingjaar wordt ingeleverd, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel