Het markt- en standplaatsgeld moet, met inachtneming
van onderstaande leden, wordenvoldaan in vier gelijke
termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de
laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de
schriftelijke kennisgeving. De volgendetermijnen
vervallen elke drie maanden na het vervallen van de
vorige termijn.
Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor het
markt- of standplaatsgeld zeven, acht of negen
kalendermaanden resteren tot het einde van het
belastingjaar, moet het verschuldigde bedrag worden voldaan in drie gelijke termijnen,
waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke
kennisgeving. De volgende termijnen vervallen elk drie
maanden na de vorige termijn.
Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor het
markt- of standplaatsgeld vijf of zes kalendermaanden
resteren tot het einde van het belastingjaar moet het
verschuldigde bedrag worden voldaan in twee gelijke
termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
van de maand volgende op die van de dagtekening van de
schriftelijke kennisgeving. De tweede termijn vervalt
drie maanden na de eerste termijn.
Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor
markt- of standplaatsgeld vier kalender- maanden of
minder resteren tot het einde van het belastingjaar,
moet het verschuldigde bedrag worden voldaan op de laatste dag van de maand volgende
op die van de dagtekening van de schriftelijke
kennisgeving.
In afwijking van bovenstaande leden vervalt de
betaaltermijn voor standplaatsgelden minder dan € 275,--
op de laatste dag van de maand volgende op die van de
dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in
de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9
Tijdstip van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van markt- en standplaatsgelden 2017.