Naar hoofdinhoud
Het markt- en standplaatsgeld moet, met inachtneming van onderstaande leden, wordenvoldaan in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. De volgendetermijnen vervallen elke drie maanden na het vervallen van de vorige termijn. Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor het markt- of standplaatsgeld zeven, acht of negen kalendermaanden resteren tot het einde van het belastingjaar, moet het verschuldigde bedrag worden voldaan in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. De volgende termijnen vervallen elk drie maanden na de vorige termijn. Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor het markt- of standplaatsgeld vijf of zes kalendermaanden resteren tot het einde van het belastingjaar moet het verschuldigde bedrag worden voldaan in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. De tweede termijn vervalt drie maanden na de eerste termijn. Indien na het ontstaan van de belastingplicht voor markt- of standplaatsgeld vier kalender- maanden of minder resteren tot het einde van het belastingjaar, moet het verschuldigde bedrag worden voldaan op de laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. In afwijking van bovenstaande leden vervalt de betaaltermijn voor standplaatsgelden minder dan € 275,-- op de laatste dag van de maand volgende op die van de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Rechtspraak bij dit artikel