14.1 Inleiding
Het verplaatsen van cliënten om deel te kunnen nemen aan het leven van
alledag is van wezenlijk belang om contacten te onderhouden. Het gaat hier
om de directe leef- en woonomgeving van de cliënt. Om dit mogelijk te maken
voor iedereen, ook voor mensen die zich niet zelfstandig buitenhuis kunnen
verplaatsen, heeft de gemeente een lokaal vervoerssysteem.
14.2 Kenkerken
Het lokaal vervoersysteem heeft de volgende kenmerken:
er mag op jaarbasis 1500 kilometer gereisd worden per cliënt;
een vervoersgebied 25 km vanuit het woonadres;
bij een specifieke individuele vervoersbehoefte bestaat de
mogelijkheid om de 25 km grens te verhogen of om het aantal
kilometer op jaarbasis hoger dan 1500 vast te stellen;
aansluiting op Valys is gegarandeerd
systeem is oproep-gestuurd,
de chauffeur dient in- en uitstaphulp te verlenen;
de hoogte van de vervoersprijs voor Wmo gerechtigden komt overeen
met het openbaar vervoerstarief;
het systeem moet toegankelijk zijn voor verschillende typen
rolstoelen;
op indicatie mag een begeleider mee, ook de blindengeleidehond mag
mee vervoerd worden;
er is sprake van deur- tot –deur vervoer;
er kan samen met anderen worden gereisd;
14.3 Indicatie voor collectief vervoer
Voor het verkrijgen van een vervoerspas waarmee tegen openbaar vervoertarief
kan worden gereisd, is een indicatie nodig. Zonder indicatie kan op basis
van de huidige overeenkomst met de vervoerder ook van dit systeem gebruik
worden gemaakt; er is dan een hoger tarief verschuldigd.
Medische indicatie voor begeleiding tijdens vervoer
Wanneer vaststaat dat er een medische indicatie bestaat voor begeleiding
tijdens het vervoer, kan een vervoerspas met begeleiding worden verstrekt.
De begeleider reist gratis mee. Het moet duidelijk gaan om een begeleider
tijdens de taxirit, bijvoorbeeld om mogelijk gevaarlijke situaties (voor
chauffeur en overige passagiers) te voorkomen.
14.4 Uitzonderingen collectief vervoer
Verplaatsingsgedrag kinderen
Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een cliënt en diens
verplaatsingsgedrag. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
Kinderen jonger dan 5 jaar hebben in principe geen zelfstandig
vervoersbehoefte, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een
voorziening hoeft te worden getroffen.
Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben in beginsel ook geen
zelfstandige vervoersbehoefte, zij worden bijna steeds bij het
verplaatsen begeleid door de ouders.
Kinderen vanaf 12 jaar hebben in principe, evenals volwassenen een
zelfstandig verplaatsingsgedrag.
Echtgenoten
Voor zover echtgenoten beiden in aanmerking komen voor de tegemoetkoming en
de vervoersbehoefte vrijwel geheel samenvalt, wordt het Pgb voor collectief
vervoer beperkt tot 1.500 km. Als de behoefte gedeeltelijk samenvalt, zal
nader worden bepaald welk deel samenvalt en welk deel voor een aanvullende
tegemoetkoming in aanmerking kan komen.
Bovenregionaal vervoer
Het treffen van de vervoersvoorziening buiten de straal van 25 kilometer
rondom het woonadres gebeurt slechts wanneer zich de uitzonderingssituatie
voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat nodig is om
vereenzaming te voorkomen.
Wanneer cliënten zonder indicatie daarvoor buiten het toegestane
vervoersgebied reizen, dan verstrekt de gemeente hierin geen bijdrage aan de
cliënt of vervoerder.
14.5 Overige vervoersvoorzieningen
Bij personen waarbij het lokaalvervoer de behoefte niet in voldoende of
volledige mate compenseert, zal het college beoordelen of naast of in plaats
van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden.
14.5.1 Scootmobielen
De meest voorkomende individuele vervoersvoorziening is de scootmobiel. Het
gaat hier om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de
korte afstand, in de directe omgeving van de eigen woning en op de iets
langere afstand. Deze voorziening kan gecombineerd worden met lokaal
vervoer.
Een scootmobiel wordt met name geïndiceerd wanneer er sprake is van een
substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning. Dit is
het geval als de cliënt met een scootmobiel zelf boodschappen kan doen,
familie en kennissen kan bezoeken en andere vormen van dagbesteding
beschikbaar heeft. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen
niet mogelijk c.q. onlogisch gebruik te maken van een collectief systeem of
taxivervoer. In de gemeente Leeuwarden wordt bij de scootmobiel geen
schootskleed verstrekt.
Bij verstrekking van deze voorziening geldt dat de cliënt:
zonder begeleider zelf zijn bestemming moet kunnen bepalen en
vinden;
tegen weersinvloeden is bestand gedurende een groot deel van het
jaar;
kan in- en uitstappen en een goede zitbalans heeft;
het voertuig kan bedienen en besturen.
De verstrekking van een scootmobiel geschiedt in natura of in de vorm van
een persoonsgebonden budget.
De cliënt die kiest voor zorg in natura huurt in principe het hulpmiddel van
de hulpmiddelenleverancier Welzorg. Als het gaat om het herverstrekken van
een hulpmiddel kent Welzorg de mogelijkheid van huur en koop. De kosten van
service en onderhoud worden door de gemeente betaald. De kosten van het
opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemene kosten die de
cliënt zelf moet betalen. Er wordt onderzocht of de cliënt hier financieel
toe in staat is.
Kiest een cliënt voor een persoonsgebonden budget (pgb) dan koopt de cliënt
zelf het vervoermiddel. De cliënt ontvangt dan een bedrag dat gebaseerd is
op de prijs van de goedkoopste, meest geschikte voorziening die in het kader
van ZIN verstrekt wordt. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopste door
Welzorg aangeboden scootmobiel, die passend is voor de cliënt. Deze
scootmobiel voldoet aan de (wettelijke) kwaliteitseisen en veiligheidseisen.
Daarnaast wordt uitgegaan van de verplaatsingsbehoefte van de cliënt. Een
scootmobiel is in diverse maximum snelheden leverbaar. Als een voorziening
ter vervanging van een fiets of brommer wordt verstrekt, wordt een snelheid
van 12 km/uur in beginsel als toereikend beschouwd. Wanneer een scootmobiel
van 8 km/uur ook volstaat om in de verplaatsingsbehoefte te voorzien, dan is
dit de goedkoopst compenserende voorziening.
De kosten van service en onderhoud maken onderdeel uit van het toegekende
Pgb. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als
algemene kosten die de cliënt zelf moet betalen. Er wordt onderzocht of de
cliënt hier financieel toe in staat is.
Aan een pgb zijn voorwaarden verbonden. Het Pgb is genoeg voor de goedkoopst
geschikte oplossing. Wil een cliënt iets wat duurder is, dan betaalt de
cliënt zelf bij. Na het overleggen van de rekening wordt het Pgb op de
bankrekening van de cliënt gestort.
Indien het hulpmiddel zich ten gevolge van verwijtbaar gedrag van de
gebruiker in beschadigde of verwaarloosde toestand bevindt, dan worden de
kosten voor herstel van het hulpmiddel bij de gebruiker in rekening
gebracht. Dit houdt in dat (rij)schade aan het vervoermiddel die door
toedoen van de gebruiker is veroorzaakt voor rekening van de gebruiker is.
Ook andere schade en storingen aan het vervoermiddel die worden veroorzaakt
door nalatigheid van de gebruiker zijn voor rekening. Denk daarbij aan het
niet volgens de instructie controleren en onderhouden van het vervoermiddel
of het eigenmachtig (laten) uitvoeren van aanpassingen of reparaties.
14.5.2 Auto
Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto,
beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de
periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking
voor een individuele voorziening. Dit betekent bijvoorbeeld dat, als de
beschikbare auto gebruikt kan worden voor vervoer in het kader van deelname
aan het leven van alledag, het verlenen van een vervoersvoorziening niet
voor de hand ligt. Wel is het mogelijk om, op grond van het
verplaatsingsgedrag, naast een beschikbare een auto, een aanvullende
voorziening te verlenen als op die wijze de maatschappelijke participatie
kan worden gerealiseerd.
De auto algemeen gebruikelijk
Het hanteren van inkomensgrenzen is niet toegestaan. Dit betekent echter
niet dat het bezit van een auto niet als algemeen gebruikelijk kan worden
aangemerkt. Een auto is algemeen gebruikelijk als de cliënt:
in bezit is van een auto; en
die auto gebruikt; en
daarbij geen problemen ondervindt; en
de auto nog steeds voorziet in vervoersbehoefte in de leefomgeving
van de cliënt.
In die gevallen is de auto voor de persoon van de cliënt algemeen
gebruikelijk omdat er geen sprake is van extra kosten.
14.5.3 Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn erop gericht verplaatsingen mogelijk te maken in de
leefomgeving voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op een eigen
auto.
Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing
Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich verplaatsen
binnen de leefomgeving per vervoermiddel én is het collectief
(individueel) vervoer geen passende oplossing?
Is een autoaanpassing de goedkoopst passende oplossing?
Hoe staat het met de ouderdom en technische staat van de auto?
Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar
van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind
worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is.
Is een auto ouder dan acht jaar en is er al 75.000 kilometer of meer
mee gereden? Dan is een (flinke) aanpassing meestal niet meer
verantwoord. Een technische keuring van de auto door een
onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) is nodig om te
kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op
de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Bij een
(flinke) aanpassing moet de auto nog minimaal acht jaar veilig
kunnen rijden. Heeft een auto al meer dan 75.000 kilometer gereden
gaat het College daar niet van uit. De geldigheidsduur van het
rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen.
Algemeen gebruikelijk
Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk
bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of
een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan geen beroep worden
gedaan op de Wmo (vergelijk CRVB:2011:BU7172).
Vorm van verstrekking autoaanpassing
De vorm van verstrekking zal in de meeste gevallen bestaan uit een Pgb voor
de kosten van aanpassing van de eigen auto.
De autostoel
Op dit moment worden bij productie van auto’s al hoge kwaliteitseisen
gesteld aan het zitcomfort van autostoelen. Dit betekent dat het in de regel
niet meer voorkomt dat een autostoel vervangen zou moeten worden door een
betere stoel. Indien cliënt toch geen gebruik kan maken van de bij de auto
behorende standaardstoel kan een Pgb worden verstrekt van de
aanpaskosten.
Geen Pgb wordt verstrekt indien:
Een autostoel voornamelijk als doel heeft de zithouding te
verbeteren. Deze stoelen zijn ook voor niet-gehandicapten normaal in
de handel verkrijgbaar ( bijvoorbeeld de Scheel- stoel).
De cliënt pas klachten krijgt na het rijden van lange afstanden of
lange rijtijden. Allereerst mag er van uit worden gegaan dat hij of
zij tijdig pauzeert. Tevens reikt de compensatieplicht van de
gemeente zich in principe tot de gemeente Leeuwarden.
De aanschaf van de autostoel uit preventief oogpunt geschiedt.
De in de auto aanwezige standaardstoel aan redelijke normen
voldoet.
Cliënt moet bij zijn autokeuze voldoende aandacht hebben besteed aan
het zitcomfort.
14.6 Pgb lokaal vervoer
Als een cliënt om medische redenen geen gebruik kan maken van het
collectieve vervoer en een ander verplaatsingsmiddel ook onvoldoende
compensatie van het mobiliteitsprobleem oplevert, is een Pgb
(kilometervergoeding) mogelijk.
Afhankelijk van het feit of de cliënt al dan niet rolstoel gebonden is, is
het Pgb gebaseerd op de kosten van gebruik van een particuliere auto, een
normale taxi of rolstoeltaxi.
Het bedrag is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
Leeuwarden en is voldoende om op jaarbasis de minimale afstandseis van 1500
kilometer af te leggen.
Pgb lokaal vervoer en gebruik scootmobiel
Cliënten die collectief vervoer én een scootmobiel in gebruik hebben,
ontvangen 50% van het Pgb lokaal vervoer.