16.1 Inleiding
De Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang hebben als taak het bieden van
tijdelijk en veilig verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. De
kerntaak van de opvang richt zich op het bieden van een vangnet en een stuk
nazorg . Vaak gaat het om kwetsbare cliënten met combinaties van
verschillende problematiek. Voor ambulante begeleiding, geboden door
Maatschappelijke Opvanginstellingen en vrouwenopvang (Fier Fryslan, Zienn,
Limor, Leger des Heils en Zienn) geldt dat de toegang verloopt via de
wijkteams in de directe omgeving waar iemand woont. Zij geven een
indicatieadvies waarna de gemeente een beschikking afgeeft. Ook een
aanbieder waar een cliënt bekend is, kan in afstemming met het wijkteam een
advies geven aan de gemeente.
16.2 Centrumgemeente versus regio
De centrumgemeente Leeuwarden krijgt vanuit de Wmo een belangrijke rol bij
Opvang, waaronder maatschappelijke- en vrouwenopvang. De uitvoeringstaken
rondom opvang zijn onder gebracht bij Sociaal Domein Fryslân. De
centrumgemeente Leeuwarden maakt namens de 24 gemeenten afspraken met de
aanbieders van opvang over het vangnet wat ze bieden voor de regio
Friesland. Leeuwarden werkt nauw samen met de lokale gemeenten met als
gezamenlijk doel het verminderen van het aantal daklozen, het zo kort
mogelijk verblijven in het vangnet, het zo snel mogelijk weer doorstromen
naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan en het verminderen van overlast en
geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dit is beschreven in het document
‘Uitgangspunten voor de financiering van : Opvang, Beschermd wonen en Veilig
Thuis 2016’.
16.3 Toegang
De opvangvoorzieningen in de regio zijn van belang voor cliënten die in een
(dreigende) situatie van dak- of thuisloosheid verkeren. Cliënten kunnen
zich rechtstreeks tot aanbieders wenden om een beroep te doen op de
voorzieningen. Een toets op toegang vindt door aanbieders plaats. Voor alle
voorzieningen geldt dat ze worden gesubsidieerd door de centrumgemeente
Leeuwarden zodat beschikbaarheid en continuïteit gegarandeerd zijn.
Binnen de opvang kan onderscheid worden gemaakt naar algemene en
maatwerkvoorzieningen. De algemene voorzieningen in de gemeente zijn in
principe toegankelijk voor iedereen met (dreigende) dak- of thuisloosheid,
een lichte toegangstoets wordt door de zorgaanbieders uitgevoerd. De toets
bestaat uit het nagaan of de cliënt tot de doelgroep, namelijk (dreigend)
dak- of thuisloos, behoort. De algemene voorzieningen zijn voorliggend op
maatwerkvoorzieningen.
Een maatwerkvoorziening is in de wet een individuele voorziening waarop een
toets op rechtmatigheid plaatsvindt. In 2016 vindt deze toegangstoets plaats
door middel van de intake die door de aanbieders wordt gedaan. Een
beschikking wordt afgegeven door de afdeling Sociale Zaken van de gemeente
waar een cliënt feitelijk verblijft in een voorziening wanneer de cliënt een
participatiewet -uitkering heeft of door de instelling zelf, namens de
gemeente, bij een andere vorm van inkomen. Voor maatwerkvoorzieningen geldt
een inkomensafhankelijke eigen bijdrage.
Landelijk is bepaald dat de voorzieningen van de opvang toegankelijk moet
zijn voor iedereen die in Nederland woont. Waarbij de centrumgemeente van
aanmelding indien nodig de eerste opvang verzorgt en vervolgens bepaalt, in
overleg met de cliënt, in welke plaats een individueel traject het meest
kansrijk is. Deze centrumgemeente gaat de opvang verzorgen. De
opvanginstellingen in de regio Friesland werken conform de criteria zoals
benoemd in de beleidsregels van de handreiking Landelijke toegankelijkheid
in de maatschappelijke opvang. In de drie noordelijke provincies is
afgesproken dak- of thuislozen onderling niet door te verwijzen.
16.4 Afwegingskader
In de kern is de Maatschappelijke opvang bedoeld voor mensen die nergens
anders terecht kunnen ( en die gebaat zijn bij tijdelijke ondersteuning voor
het zoeken naar een duurzame oplossing op alle leefgebieden (ZRM-domeinen).
Het is de taak van alle gemeenten om mogelijke uitval/terugval vroegtijdig
te signaleren (preventie).
Om vast te stellen of en waar een cliënt maatschappelijke opvang kan
krijgen, worden de volgende toelatingscriteria, conform de handreiking
landelijke toegankelijkheid, gehanteerd:
De cliënt heeft de Nederlandse nationaliteit, of houdt als
vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
De regio Friesland, Groningen, Assen of Emmen is de regio waarbinnen
de opvang van de cliënt het meest kansrijk is. Om te bepalen bij
welke regio de kans op een succesvol traject voor de cliënt het
grootst is, wordt gekeken naar de volgende feiten en omstandigheden:
de cliënt heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan het moment van
aanmelding minimaal twee jaar aantoonbaar zijn of haar hoofdverblijf
in de regio gehad. Dit moet blijken uit inschrijving in de
gemeentelijke basisadministratie of het bekend en geregistreerd zijn
bij zorginstellingen;
de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en
vrienden);
bekendheid bij de zorginstellingen of MO-instellingen;
bekendheid bij de politie;
geboorteplaats;
redenen om de cliënt uit zijn oude sociale netwerk te halen.
de voorkeur van de cliënt: gegronde redenen om tegemoet te komen aan
de wens van de cliënt om in een bepaalde gemeente/regio te worden
opgevangen.
De cliënt is niet in staat, zich op eigen kracht, met gebruikelijke
hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van de algemene
voorzieningen zich te handhaven in de samenleving. Indien de
instelling inschat dat de wachttijd tot onwenselijke situaties
leidt, heeft de instelling de inspannings- verplichting om een
andere passende opvang te zoeken en te zorgen voor een warme
overdracht.
De cliënt heeft geen ondersteuning bij het uitvoeren van alledaagse
levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het
verrichten van basale huishoudelijke taken;
De cliënt heeft geen fysieke of zintuigelijke beperking waardoor de
opvangvoorziening niet of onvoldoende toegankelijk is;
Er bestaat bij aanmelding geen duidelijke indicatie voor dominante
verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de
instelling begeleid kan worden en / of belastend is voor het
samenwonen binnen de voorziening;
De cliënt is niet ernstig verstandelijk beperkt waardoor hij binnen
de instelling niet adequaat begeleid kan worden;
De cliënt gaat akkoord met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden
van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een
zekerheidsstelling voor de betaling van de eigen bijdrage.
16.5 Uitzonderingen
Toegang tot een opvangvoorziening kan worden geweigerd wanneer een cliënt
zich (na toegang tot de voorziening) niet houdt aan de huisregels van een
voorziening.
De stichting Fier Fryslân heeft zich vanuit de traditionele anonieme opvang
ontwikkeld tot aanbieder van preventie, begeleiding, anonieme opvang en
behandeling bij geweld in afhankelijkheidsrelaties. Daarbij heeft de
stichting zich ontwikkeld van een hoofdzakelijk door de gemeente
gefinancierde opvanginstelling tot een innovatieve zorgaanbieder met
meerdere financieringsstromen, waarvan de gemeentelijke financiering
relatief kleiner is geworden. De regio hecht veel waarde aan de groei van
Fier Fryslân als innovatief zorgbedrijf met een sterk landelijk imago, dat
geworteld is en blijft in onze regio. Vanwege het landelijke karakter van
Fier Fryslân geldt eerder genoemde voorwaarde voor regiobinding niet.
16.6 Verstrekking van voorziening
Opvang betreft een voorziening (deels algemeen en deels maatwerk) voor dak-
en thuisloze cliënten in nood. De voorziening is voor iedereen in natura
toegankelijk die voldoet aan de genoemde criteria. Een persoonsgebonden
budget is niet mogelijk gezien het algemene karakter van de
voorziening.
16.7 Eigen bijdrage
Cliënten betalen voor het gebruik van algemene voorzieningen in 2016 geen
inkomensafhankelijk eigen bijdrage. Voor de algemene voorzieningen kan in
2016 door de instelling een bijdrage geheven worden die niet hoger is dan de
kostprijs (bijvoorbeeld bijdrage voor maaltijden, beddengoed en
huisvestingskosten).
Voor de maatwerkvoorzieningen geldt dat cliënten wel een
inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. De eigen bijdrage is
inkomensafhankelijk en wordt berekend conform het Uitvoeringsbesluit Wmo
2016. Daarbij dient de cliënt altijd minimaal de zak- en kleedgeldnorm uit
de Participatiewet ontvangen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt
wanneer de cliënt, naar het oordeel van de gemeente, verzuimt om waar
mogelijk gebruik te maken van wetten en regelingen die het inkomen
aanvullen. Wanneer de gemeente de bijdrage van een cliënt om persoonlijke
omstandigheden van een cliënt onredelijk vindt, kan besloten worden de eigen
bijdrage te verlagen.
De bijdrage wordt geïnd door de gemeente waar de cliënt in een voorziening
verblijft indien de betreffende cliënt gebruik maakt van een uitkering in
het kader van de Participatiewet. Indien de cliënt een andere vorm van
inkomsten heeft wordt de bijdrage door de instelling voor
maatwerkvoorzieningen, namens de gemeente, voor opvang geïnd. De eigen
bijdragen worden overgemaakt naar de instellingen.