3.1 Uitvoering van Leeuwarder model
Het Leeuwarder model onderscheidt drie sporen van hulp en
ondersteuning:
·zelf- en samenredzaamheid
Zelf doen wat je kunt of een beroep doen op familie of buren. Maar ook
vormen van samenwerking in de wijk tussen bewoners die zich bijvoorbeeld
verenigen in wijkpanels of wijkcoöperaties. Dit kan zijn zonder tussenkomst
van professionals of als daar wel behoefte aan is, in samenwerking met
wijkpartners of andere professionals.
·basisondersteuning
Naast bewoner bewegen ook professionals zich in de wijk. In het sociaal
domein zet de gemeente de wijkteams centraal, die met generalistische
sociaal werkers zich richten op alle leefgebieden van de bewoner. De sociaal
werkers gaan er op af en werken door middel van signalering, facilitering,
activering en waar nodig ondersteuning met als doel het bevorderen van de
zelfredzaamheid en sociale cohesie in de wijk.
·aanvullende ondersteuning.
Waar nodig zet het wijkteam aanvullende ondersteuning in. De
taken/activiteiten van de sociaal werkers zullen in de wijken worden
uitgevoerd. Het team vormt een brug naar de bewoners in de wijk,
functionarissen en andere professionals. Waar de aanvullende ondersteuning
niet effectief op wijkniveau georganiseerd kan worden, verwijst de sociaal
werker door naar bovenwijkse georganiseerde zorg- en hulpverlening.
3.2 Algemeen afwegingskader
Als een persoon aanspraak maakt op ondersteuning op basis van de Wmo zal dit
verzoek gewogen worden. Het gaat daarbij om een individuele weging, waarbij
altijd de volgende elementen betrokken worden.
Eigen mogelijkheden
Niet iedere beperking leidt tot verminderde zelfredzaamheid of een
participatieprobleem. Door met eigen oplossingen het normale levenspatroon
voort te zetten, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Dat
zou anders kunnen zijn wanneer de beperkingen leiden tot een probleem dat
niet met eigen oplossingen of hulp van anderen kan worden opgelost. Om te
kunnen bepalen of en welke ondersteuning nodig is, is zorgvuldig onderzoek
noodzakelijk. Dat onderzoek richt zich op het geobjectiveerd vaststellen van
beperkingen en als gevolg daarvan het al dan niet optreden van verlies van
zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden.
Financiële mogelijkheden
De wet staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt
verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële
middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien maar mag het geen
reden zijn om passende ondersteuning te weigeren. Iemand met veel financiële
middelen betaalt veelal ook een hoge eigen bijdrage en betaalt zodoende
feitelijk mee aan de oplossing.
Ondersteuning door mantelzorgers en vrijwilligers
Wanneer verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem
(gedeeltelijk) kan worden opgelost door een mantelzorger of vrijwilliger,
kan aanvullend daarop een algemene of maatwerkvoorziening nodig zijn. Bij
het bepalen van de meest passende ondersteuningsvorm wordt nadrukkelijk
rekening gehouden met de belangen en belastbaarheid van de mantelzorger of
vrijwilliger. Dit is een belangrijk onderwerp dat besproken wordt in het
gesprek met de sociaalwerker. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die
niet afdwingbaar is door de overheid.
Voorliggende voorzieningen
Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden
gedaan alvorens een maatwerkvoorziening wordt overwogen:
Voorliggend op de Wmo is een voorziening/dienst op grond van een
andere wettelijke regeling, zoals de wet vervangende Wet langdurige
zorg (Wlz), ziektekostenverzekering of het Uitvoeringsinstituut
Werknemers Verzekeringen (UWV). Indien dit het geval is, zal er op
grond van de Wmo geen voorziening/dienst worden verstrekt.
Kinderopvang: Reguliere kinderopvang is een algemene voorziening.
Indien er problematiek bestaat voor opvang van gezonde kinderen, is
dit geen reden voor een maatwerkvoorziening voor deze specifieke
activiteit.
Arbeidsvoorzieningen: op grond van ziektewet, WIA, Wajong en
Participatiewet zijn er mogelijkheden voor aangepast werk en/of
dagbesteding.
Het onderscheid van de verschillende wetgevingen Wlz (Wet Langdurige Zorg)
en ZVW (Zorgverzekeringswet) is complex en derhalve wordt verwezen naar
Handboek Schulinck.
Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal”
wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is
dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Dit wordt nader
omschreven in ‘hulpmiddel gebruikelijke hulp’ opgesteld door MO-zaak.
De sociaal werker bepaalt in gesprek met de bewoner op basis van eigen
professionaliteit en de input van de bewoner wat gebruikelijk hulp is in de
individuele situatie van de bewoner. Indien nodig kan bij het bepalen van de
gebruikelijke hulp het document “hulpmiddel gebruikelijke hulp”, die bij
iedere sociaal werker bekend is, actief als instrument gebruikt worden.
Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening
Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve
maatstaven gemeten goedkoopst adequate maatwerkvoorziening te bieden.
Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning
in aanmerking.
Langdurig noodzakelijk
Bij het bepalen van de meest passende goedkoopst adequate voorziening, wordt
rekening gehouden met de (te verwachten) gebruiksduur en intensiteit van het
gebruik. Bij kortdurend of incidenteel gebruik, kan een groter beroep op
eigen mogelijkheden of de inzet van voorliggende of algemene voorzieningen
worden gedaan. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de feitelijke
aanwezigheid van eigen mogelijkheden, voorliggende of algemene
voorzieningen.
Hoofdverblijf
Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt door de gemeente waarin bewoner zijn
hoofdverblijf heeft. Behalve de woning van bewoner komen in principe geen
andere panden in aanmerking voor aanpassingen. Voor zover van toepassing
wordt dit bij de nadere omschrijving en afweging van de specifieke
maatwerkvoorzieningen benoemd.
Algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Met de activiteiten
of ondersteuning die via deze algemene voorzieningen wordt geboden kan een
individuele bewoner (een deel van) zijn participatieproblemen verminderen of
zijn zelfredzaamheid verhogen. In deze gevallen is het niet noodzakelijk een
maatwerkvoorziening in te zetten of kan volstaan worden met een aanvulling
op de algemene voorziening. Er zal altijd op individueel niveau onderzocht
worden of bewoner met de algemene voorziening voldoende resultaat kan
behalen.
Aanvaardbaar niveau
Het streven is om de persoon op het niveau van participatie en
zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn met name
van belang de situatie van betrokkene voordat hij getroffen werd door zijn
beperkingen, alsmede de situatie van personen in vergelijkbare
omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen
hebben.
De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de
situatie van de bewoner was voor hij ondersteuning nodig had. De compensatie
beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van
zelfredzaamheid en participatie, en breidt zich niet uit tot wat de persoon
noodzakelijk vindt in het kader van smaak, of betekent niet per definitie
dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen
uitoefende.
Bij aanvaardbaar niveau gaan we uit van de jurisprudentie zoals deze onder
Wmo 2007 is ontwikkeld.
Onderscheid dagbesteding en instrumenten Werk & Inkomen
Bij het bepalen of dagbesteding aan de orde is, is het belangrijk te weten
of iemand een uitkering heeft. Voor de doelgroep Participatiewet met een
loonwaarde minder dan 40 % worden als instrumenten maatschappelijk nuttig
werk (inclusief tegenprestatie naar vermogen) en vrijwilligerswerk ingezet.
Dit wordt georganiseerd in de wijken (wijkparticipatie) via sociale
wijkteams, waarbij verschuiving van taken heeft plaatsgevonden van team
Participatie richting de sociale wijkteams. Indien dit passende
ondersteuning is, wordt geen dagbesteding vanuit de Wmo verstrekt.
3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Het College verstrekt geen voorziening als aannemelijk is dat de bewoner
daar - gelet op zijn omstandigheden - over zou (hebben kunnen) beschikken
als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen
gebruikelijk als deze:
normaal in de handel verkrijgbaar is; en
niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en
niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten.
Drie vragen
De drie vragen hebben betrekking op de vraag of de voorziening algemeen
gebruikelijk is. De vraag is echter of de voorziening ook voor de persoon
als de bewoner algemeen gebruikelijk is. Kort gezegd, valt het volgens
geldende maatschappelijke normen binnen het normale bestedingspatroon van de
bewoner. Het College beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun
onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een voorziening normaal in de
handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende
maatschappelijke normen voor de persoon van de bewoner past binnen zijn
normale bestedingspatroon. Andersom kan echter ook.
Niet al te strikt
De beoordeling moet niet al te strikt worden gelezen. Het feit dat de
bewoner niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent
niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan
zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk voor
personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is
vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265).
Bij een dergelijke beoordeling dient ook gekeken te worden naar het
vermijden van een anti-revaliderende situatie. Dat wil zeggen: het
versterken of creëren van beperkingen als gevolg van de verstrekking van
voorzieningen. En er dient te worden gekeken naar de doelmatigheid van de
voorziening: de inzet van een voorziening is passend bij het behalen van het
resultaat.
Ook is het van belang om te realiseren dat een te verstrekken voorziening op
de eerste plaats adequaat moet zijn. Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan
dient gekozen te worden voor de goedkoopste en meest adequate
voorziening.
Vervanging
Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken
hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene
gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen
vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Daaruit kan worden afgeleid
dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging niet als algemeen
gebruikelijk voor de bewoner kan worden beschouwd.
Een onverwachts optredende noodzaak
Het zogenaamde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de
hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot
aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in
de beperkingen van de bewoner, kan dat een omstandigheid zijn waarom een
algemeen gebruikelijke voorziening voor deze bewoner toch niet algemeen
gebruikelijk is.
Renovatie
Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch
of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook
vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens,
sanitair, natte cel, kranen, et cetera. In het Besluit worden de
afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd. Het uitgangspunt in
ogenschouw genomen dat geen voorzieningen worden verleend die algemeen
gebruikelijk zijn voor de persoon als de bewoner, geldt dat, als sprake is
van renovatie, (woon-)voorzieningen in beginsel worden geweigerd. Immers,
voor personen met en zonder beperkingen geldt dat voorzieningen na verloop
van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd.
Huishoudelijke apparatuur
De aanspraak op een maatwerkvoorziening voor overname van huishoudelijke
werkzaamheden bestaat slechts aanvullend op eigen mogelijkheden. Daaronder
kunnen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden gerekend. Hieruit volgt
dat er geen indicatie is als de beperkingen afdoende kunnen worden opgelost
met bijvoorbeeld technische hulpmiddelen. Daaronder worden algemeen
gebruikelijke huishoudelijke apparatuur verstaan zoals een wasmachine, een
droogtrommel, een afwasautomaat of stofzuiger. Als dergelijke apparaten niet
aanwezig zijn maar wel een oplossing kunnen bieden voor het probleem, dan
gaat de aanschaf van deze hulpmiddelen in beginsel voor op het indiceren van
ondersteuning.