4.1 Inleiding
De wet schrijft voor dat, zodra een persoon zich meldt met een behoefte aan
maatschappelijke ondersteuning, er een onderzoek moet worden uitgevoerd. In
dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de melding en onderzoek
plaatsvinden.
4.2 Toegang en melding
Een melding voor ondersteuning kan door of namens de bewoner worden gedaan.
De wetgever schrijft niet voor wie allemaal een melding kunnen doen. Het
hoeft niet persé te gaan om een vertegenwoordiger van de bewoner, maar het
kan ook gaan om bijvoorbeeld de buurvrouw, een arts of een kind. Met een
melding maakt de bewoner duidelijk dat hij behoefte heeft aan
maatschappelijke ondersteuning. Een bewoner kan zich op diverse manieren
melden met een hulpvraag:
bij het KCC (Klant Contact Centrum), telefonisch of fysiek bij het
loket bij het Stadskantoor;
bij het sociaalwijk team of dorpen team;
digitaal;
Bij de aanbieder (opvang en beschermd wonen);
Voor beschermd wonen geldt dat de aanvraag altijd via het wijkteam (of zoals
bij andere gemeente, gebiedsteam genoemd) loopt. Dit betreft het wijkteam
(of gebiedsteam) van de gemeente waar iemand woont.
Nadat de bewoner zich heeft gemeld wordt in eerste instantie door de
medewerker die de melding in behandeling neemt bezien of er echt sprake is
van een melding, of dat het gaat om een simpele hulpvraag die direct
telefonisch of bij het eerste contact kan worden afgedaan.
Een melding wordt geregistreerd en alleen als de bewoner dat wenst, wordt
een bevestiging schriftelijk verstuurd (mail of post).
Is een bewoner uitgebreid bekend vanwege bijvoorbeeld een recent gesprek en
het opstellen van een ondersteuningsplan of betreft het een vervanging van
een hulpmiddel vanwege technische mankementen en is de situatie niet
gewijzigd, kan dit ook een reden zijn om af te zien van een gesprek. Dit
dient altijd in overleg met goedkeuring van de bewoner plaats te
vinden.
Een professionele hulpverlener kan een melding ook rechtstreeks bij het
wijk-/gebiedsteam doen. Dit gebeurt altijd in overleg met de bewoner. Dit
geldt ook voor beschermd wonen.
4.3 Persoonlijk plan
Voorafgaand aan dit gesprek bestaat de mogelijkheid om een persoonlijk plan
in te dienen. Met dit plan kan de bewoner zelf zijn situatie beschrijven
waar de volgende zaken naar voren kunnen komen:
Welke problematiek wordt ervaren in het dagelijks leven;
Wat zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren;
Welke mogelijkheden zijn er binnen het sociaal netwerk en welke
mogelijkheden en/of algemene voorzieningen zijn al ingezet om het
probleem op te lossen of te verminderen;
De behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger.
Een persoonlijk plan betekent niet dat wat de bewoner aanvraagt ook wordt
toegekend. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend. Het persoonlijk plan
is een omschrijving van de situatie en de mogelijkheden en onmogelijkheden
die de bewoner ervaart bij het oplossen van zijn probleem en wordt
meegenomen bij het opstellen van het ondersteuningsplan.
In dit plan zijn dan ook goede mogelijkheden om de omvang en beperkingen van
de mantelzorg te benoemen.
Het persoonlijk plan dient uiterlijk binnen 7 dagen na aanmelding te worden
ingediend, maar voordat een aanvraag tot stand is gekomen.
4.4 Het gesprek
In het gesprek tussen bewoner en mogelijk zijn mantelzorger of
vertegenwoordiger wordt de ondersteuningsbehoefte besproken,
geïnventariseerd door de sociaal werker en vastgelegd in een
ondersteuningsplan (verslag).
Aan de hand van de ZRM (zelfredzaamheidsmatrix) en op basis van de
verantwoordelijkheidsladder wordt onderzocht welke ondersteuning de bewoner
nodig heeft.
De ZRM geeft een beeld van de zelfredzaamheid van de bewoner op alle
leefgebieden. Dit is geen indicatie-instrument, het is ondersteunend aan het
bepalen van de maatwerkvoorziening. Met behulp van de
verantwoordelijkheidsladder kijkt de sociaal werker eerst naar de
mogelijkheden die de bewoner heeft voor het zelf vinden van oplossingen voor
de ervaren beperkingen. De volgende stap zijn de mogelijkheden die er zijn
in het sociale netwerk van de bewoner. Daarna naar de ondersteuning die kan
worden geboden door of vanuit algemene voorzieningen. Als dat niet afdoende
is om te kunnen participeren en zelfredzaam te zijn, dan behoren
maatwerkvoorzieningen tot de mogelijkheden. Als laatste kan er opvang worden
geboden.
Het gesprek vindt veelal plaats in de thuissituatie van de bewoner. Mocht
dit niet wenselijk zijn om welke reden dan ook, kan dit ook op een andere
plek plaats vinden.
De volgende onderwerpen worden besproken tijdens het gesprek (Verordening,
artikel 6):
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de bewoner;
hierbij moet ook aandacht zijn voor samenvallende activiteiten
(samenloop van verschillende soorten zorg).
het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
de mogelijkheden om op eigen kracht en met gebruikelijke hulp, of
via algemeen gebruikelijke voorzieningen, de eigen zelfredzaamheid
of participatie te handhaven of te verbeteren. Dit om te voorkomen
dat bewoner een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit
het sociaal netwerk van bewoner te komen tot verbetering van de
eigen zelfredzaamheid of participatie, waarbij de gemeente niet een
bijdrage verlangt van mantelzorg of sociaal netwerk die ten koste
gaat van baan, inkomen of welzijn van de mantelzorger of het sociaal
netwerk. Dit om de ondersteuning aan de bewoner te verbeteren door
inbedding in de eigen omgeving, mantelzorgers en de eigen omgeving
niet te overvragen en te voorkomen dat bewoner een beroep moet doen
op een maatwerkvoorziening;
de (ervaren) belasting van de mantelzorger(s) en het sociale netwerk
van de bewoner en de daaruit voortvloeiende behoefte aan maatregelen
ter ondersteuning van de mantelzorger(s) en het sociale netwerk van
de bewoner. Dit om mantelzorger(s) en het sociale netwerk van de
bewoner niet te overvragen;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening
of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te
komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
maatwerkvoorziening;
de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of
door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de
Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke
gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen,
te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
welke bijdragen in de kosten de bewoner conform de Wmo dient te
betalen (Wmo artikel 2.1.4), waarbij de cliënt wordt gewezen op de
rekenhulp van het CAK;
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een Pgb,
waarbij de bewoner in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht
over de gevolgen van die keuze.
Voor het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de bewoner, in de vorm
van het gesprek (‘keukentafelgesprek’), geldt een behandeltijd van maximaal
zes weken. In deze periode wordt niet alleen het gesprek gevoerd maar ook
gekeken naar allerhande mogelijkheden en voorliggende voorzieningen die een
oplossing kunnen zijn voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en
participatie.
Voor beschermd wonen geldt dat de zorgaanbieder het onderzoek zelf kan
uitvoeren, als de bewoner daar al in behandeling is. Het resultaat dient
altijd afgestemd te worden met het wijk-of gebiedsteam. Het wijk- of
gebiedsteam dient een eigen oordeel te kunnen geven op basis van de
geleverde informatie.
4.5 Het verslag
In de verordening artikel 7, staat dat het gesprek en het vooronderzoek met
een verslag afgesloten wordt, waarbij in elk onderdeel de belangrijkste
punten kort worden samengevat en mogelijke oplossingen worden benoemd. Dit
noemen wij het ondersteuningsplan.
De bewoner zal dit verslag te allen tijde desgevraagd kunnen ontvangen. Het
verslag wordt binnen 20 werkdagen na het gesprek aan de bewoner beschikbaar
gesteld. Indien de gestelde termijn niet haalbaar is, wordt de bewoner
geïnformeerd over de reden van vertraging.
De bewoner heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen
aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke
verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd.
4.6 Ondersteuningsplan
Op basis van het vooronderzoek en het gesprek stelt de sociaal werker met de
betrokkene een ondersteuningsplan op waarin wordt aangegeven:
in verband met welke belemmeringen ondersteuning nodig is; hierbij moet ook
aandacht zijn voor samenvallende activiteiten (samenloop van verschillende
soorten zorg).
welke doelstelling er wordt nagestreefd met de ondersteuning;
op welke wijze deze ondersteuning kan worden vormgegeven;
welke afspraken er zijn gemaakt met de bewoner;
indien een maatwerkvoorziening aan de orde is wordt door de sociaal
werker een zwaarwegend advies opgesteld welke wordt gebruikt bij de
vaststelling en het verstrekken van een maatwerkvoorziening.
Kiest de bewoner voor een Pgb, dan wordt het goedgekeurde budgetplan
toegevoegd aan het ondersteuningsplan. Dit budgetplan stel de bewoner zelf
op en zo nodig kan de sociaalwerker hierbij ondersteunen.
4.7Aanvraag
Na een melding vindt, in principe, altijd een gesprek plaats. Het resultaat
van dit gesprek is een ondersteuningsplan waarin de oplossingen en mogelijk
de afspraken met bewoner worden benoemd. Een onderdeel van de oplossingen
kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening zijn. De informatie uit het
ondersteuningsplan wordt meegenomen in de aanvraag, dit betreft een
zwaarwegend advies.
Het zwaarwegend advies wordt besproken met de bewoner. De bewoner ontvangt
een afschrift van het zwaarwegend advies, per mail of per post.
In het zwaarwegend advies wordt opgenomen/beschreven of bewoner wel/niet
akkoord is.
Een handtekening onder het zwaarwegend advies kan en mag, op verzoek van de
bewoner. Het is zeer wenselijk om bij niet akkoord, de bewoner te laten
tekenen.
De aanvraag wordt doorgestuurd naar de gemeente en zo nodig, bijvoorbeeld
bij een elektrische rolstoel, vindt nog aanvullend onderzoek plaats.
Voor de toegang tot beschermd wonen zie pagina 29.
Afhandelingstermijn onderzoek
De wetgever schrijft voor dat het onderzoek naar aanleiding van de melding
moet zijnafgerond door middel van een verslag binnen zes weken na de
melding.
In de Memorie van Toelichting is echter aangegeven dat een zorgvuldig
onderzoekuitgangspunt is. Mocht omwille van deze zorgvuldigheid,
bijvoorbeeld omdat informatie bijderden moet worden opgevraagd, of omdat er
sprake is van een complexe hulpvraag vanuitdiverse domeinen, de termijn van
zes weken niet gehaald worden, dan kan de medewerker in
overleg treden met de bewoner om deze termijn te verlengen. Dit wordt
vervolgens schriftelijk bevestigd, onder vermelding van de termijn
waarbinnen het onderzoek naar verwachting wel is afgerond.
Beschikking
De bewoner ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015,
binnen 2 weken na de aanvraag, schriftelijk in een beschikking. Indien deze
termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de AWB de bewoner
schriftelijk geïnformeerd over een verlenging of opschorting van deze
termijn.
De looptijd van de indicatie met uitzondering van hulpmiddelen,
vervoersvoorzieningen of woningaanpassingen, betreft in principe maximaal 3
jaar. De uitzonderingen zijn niet begrensd qua looptijd.
In de beschikking van een maatwerkvoorziening zorg in natura (ZIN) wordt in
ieder geval vastgelegd:
wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
daarvan is;
de omvang en activiteiten van de in te zetten voorziening;
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
hoe de voorziening wordt verstrekt (Pgb of ZIN), en indien van
toepassing;
welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;
welke verplichtingen de burger heeft in verband met zijn
inlichtingenplicht (Wmo artikel 2.3.8).
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wordt
in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
voor welk resultaat het Pgb kan worden aangewend;
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb;
wat de hoogte van het Pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld,
en
de wijze van verantwoording van de besteding van het Pgb;
welke verplichtingen de burger heeft in verband met zijn
inlichtingenplicht (Wmo artikel 2.3.8).
Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de bewoner daarover in
de beschikking geïnformeerd.
Bij een maatwerkvoorziening in natura wordt de vorm en omvang van de
maatwerkvoorziening middels iWmo standaard verstuurd. Het digitaal
uitwisselen van gegevens tussen gemeente en zorgaanbieders gebeurt via iWMO.
Bij een verstrekking in de vorm van Pgb geldt het trekkingsrecht.