**1..** Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de Ioaw of Ioaz zou hebben kunnen verwerven, indien:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; of
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
**2..** Het college weigert de uitkering tijdelijk naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de Ioaw of Ioaz zou hebben kunnen verwerven, indien:
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
**3..** De periode van weigering bedoeld in het tweede lid is drie maanden bij een eerste verwijtbare gedraging, en zes maanden bij elke volgende verwijtbare gedraging.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
- Het weigeren van de uitkering
Onderdeel van Verordening weigering en verlaging alsmede beslistermijnen Ioaw en Ioaz