Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 3

- Het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Verordening weigering en verlaging alsmede beslistermijnen Ioaw en Ioaz

1.. Als de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 Ioaw of Ioaz of in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet SUWI niet of onvoldoende nakomt, of een op grond van hoofdstuk III Ioaw of Ioaz aan de uitkering verbonden verplichting (anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, Ioaw of Ioaz) waaronder begrepen het zich jegens het college, zijn ambtenaren of derden die namens het college betrokken zijn bij de uitvoering van de wet zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.. Een maatregel wordt in hoogte en duur afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Deze afstemming kan zowel tot een lagere, als tot een hogere maatregel leiden dan uit de overige bepalingen van deze verordening zou volgen. 3.. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel