Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening het bestaan heeft betoond als
bedoeld in artikel 18, tweede lid van de PW wordt de uitkeringsnorm
verlaagd met inachtneming van het onderstaande:
Indien een belanghebbende voorafgaande aan de ingangsdatum van
de bijstandsverlening het beschikbare vermogen op een
onverantwoorde wijze heeft besteed waardoor hij niet langer
beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te
voorzien en als gevolg daarvan eerder dan noodzakelijk een
beroep moet doen op bijstand wordt de uitkeringsnorm op deze
gedraging afgestemd met een verlaging van 100% van de
uitkeringsnorm gedurende een maand.
Indien er sprake is van het niet of niet volledig tot
uitbetaling komen van een voorliggende voorziening vanwege
verrekening, waarbij op grond van een wettelijk voorschrift
artikel 4:93 vierde lid van de Awb buiten toepassing is gelaten,
wordt de bijstand op deze gedraging afgestemd met een verlaging
van 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand.
Indien een belanghebbende op een andere wijze door eigen toedoen
afhankelijk wordt van de bijstand dan wordt de bijstand op deze
gedraging afgestemd met een verlaging van 100% van de
uitkeringsnorm gedurende een maand.
Indien de belanghebbende verwijtbaar geen beroep doet op een
voorliggende voorziening en de aanspraak op de voorliggende
voorziening niet is vast te stellen wordt de uitkeringsnorm op
deze gedraging afgestemd met een verlaging van 50% van de
uitkeringsnorm gedurende één maand.
Indien een belanghebbende niet of in onvoldoende mate voldoet
aan een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de
PW wordt een verlaging toegepast van 50% gedurende één
maand.
Hoofdstuk 4
Artikel 12
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Participatiewet
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016