Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel
18, vierde lid, van de PW niet of onvoldoende nakomt, wordt de
verlaging vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm gedurende
een maand.
Het college kan de verlaging op grond van artikel 18, elfde lid,
PW herzien zodra uit houding en gedragingen van de
belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen
weer nakomt.
Het verzoek tot herziening op grond van artikel 18, elfde lid
PW, dient schriftelijk ingediend te worden bij het college.
Het college kan de verlaging enkel herzien in de gevallen dat de
duur van de opgelegde verlaging langer is dan één maand.
Herziening van de verlaging kan niet plaatsvinden vóór de maand
waarin het verzoek tot herziening ingediend.
Indien het college de verlaging op grond van artikel 18, elfde
lid, PW herziet, wordt de hoogte van het percentage van de
verlaging gehalveerd.
Hoofdstuk 3.
Artikel 11
Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016