Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 5.

Mate van verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete PW en IOAW/IOAZ Gooise Meren 2016

1.. De hoogte van de boete bedraagt 100% van het benadelingsbedrag als sprake is van opzet. Van opzet is sprake als de inlichtingenplicht willens en wetens is geschonden met de bedoeling een hogere uitkering te krijgen of te behouden dan waar recht op bestaat. Als bijvoorbeeld de feiten en omstandigheden bewust anders zijn voorgedaan dan in werkelijkheid, is er sprake van opzet. 2.. De hoogte van de boete bedraagt 75% van het benadelingsbedrag als sprake is van grove schuld. Daarvan is sprake als bepaalde feiten en omstandigheden niet tijdig, onjuist of niet op de voorgeschreven wijze zijn vermeld. Ook staat vast dat: De betrokkene redelijkerwijs had moeten weten dat er sprake was van een nalatigheid en dat dit zou leiden of heeft geleid tot het behouden of krijgen van een hogere uitkering dan waar recht op bestaat en In staat geweest is deze nalatigheid te voorkomen of te herstellen en heeft verzuimd dit uit zichzelf te doen. 3.. De hoogte van de boete bedraagt 50% van het benadelingsbedrag als betrokkene heeft nagelaten om een of meer wijzigingen van feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de uitkering tijdig en op de voorgeschreven wijze te melden en er geen sprak is van opzet of grove schuld. 4.. De hoogte van de boete bedraagt 25% van het benadelingsbedrag als uit de beoordeling van de individuele situatie blijkt dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid op grond van artikel 6 van deze beleidsregels.

Rechtspraak bij dit artikel