**1..** Bij de aangifte wordt een vermoedelijke termijn van het gebruik van het briefadres vastgesteld.
**2..** Na het verloop van de vermoedelijke termijn van het gebruik van het briefadres, wordt de briefadreshouder schriftelijk verzocht (desgevraagd in persoon) specifieke stukken te verstrekken, waarmee beoordeeld wordt of de briefadreshouder nog rechtmatig met een briefadres in de BRP staat ingeschreven.
**3..** De benodigde stukken die in het eerste lid verzocht worden, zijn gelijk aan de benodigde stukken zoals gesteld in artikel 3, derde- en vierde lid.
**4..** Als de briefadreshouder niet de benodigde stukken zoals bepaald in artikel 3, derde en vierde lid tijdig aanlevert, of wanneer blijkt dat de briefadreshouder niet (meer) rechtmatig met een briefadres in de BRP is geregistreerd, wordt de beschikking tot een briefadres ingetrokken.
**5..** In de situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub a, sub c en sub d, kan een vermoedelijke termijn van gebruik worden vastgesteld van maximaal zes maanden.
**6..** In de situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b, kan een vermoedelijke termijn van gebruik worden vastgesteld van maximaal drie maanden.
**7..** In de situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub e en sub f, kan een vermoedelijke termijn van gebruik worden vastgesteld van maximaal acht maanden.
**8..** In de situatie als bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, kan een vermoedelijke termijn van gebruik worden vastgesteld van maximaal de duur die betreffende in een instelling (zoals bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid) verblijft.
**9..** In de situatie als bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan een vermoedelijk termijn van gebruik worden vastgesteld voor de duur die de burgemeester noodzakelijk acht.