De beslissing omtrent de tijdstippen waarop in het kader van de regeling van de werktijd door de Brandweerfunctionaris in beginsel geen arbeid behoeft te worden verricht, berust bij de commandant Brandweer.
Behoudens inroostering voor het personeel in de uitrukdienst wordt bij de beslissing omtrent deze roostervrije tijd, voorzover de belangen van de Brandweer en die van de andere Brandweerfunctionarissen dit toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de Brandweerfunctionarissen. Deze tijdstippen dienen zoveel mogelijk over het gehele jaar te worden verspreid.
Artikel 1:3:1:4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.