Het verlof met behoud van bezoldiging als bedoeld in artikel 6:4:1 dient zodanig te worden verleend dat recht wordt gedaan aan het doel en de strekking van de betreffende bepalingen. Voorzover verzetten van de dienst niet mogelijk is, wordt het aanvangsuur van het buitengewoon verlof als bedoeld in de subs. b, c, f, h, j en k, van genoemd artikel, zodanig gekozen dat aan dit verlof voldoende rusttijd voorafgaat.
Bij het toekennen van verlof met behoud van bezoldiging als bedoeld in artikel 6:4:2 is artikel 1:3:1:4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.