Jaarlijks in december (voor medewerkers van het sportcentrum is dit in augustus) stelt de leidinggevende van medewerkers in functies met onregelmatige werktijden een (globaal) rooster op. Hierin wordt de inzet van deze medewerkers voor het komende jaar opgenomen. Dit is inclusief de te werken uren van maandag tot en met vrijdag van 18.00 uur tot 08.00 uur en de te werken uren op zaterdag en/of zondag;
Deze leidinggevende levert het rooster in bij de Personeels- en salarisadministratie van de sectie FPA van de afdeling Bedrijfsvoering. Deze stelt op basis van het vastgestelde rooster de onregelmatigheidsuren en de daarbij behorende percentages per medewerker vast zodat de ORT voor dat jaar per medewerker inzichtelijk wordt;
Het totaal bedrag aan ORT wordt met 11/12 vermenigvuldigd (om rekening te houden met vakantie) en omgezet in een maandelijkse toelage door dit bedrag weer te delen door 12;
De Personeels- en salarisadministratie koppelt de hoogte van de maandelijkse toelage terug aan het afdelingshoofd en de betreffende P&O-adviseur;
De P&O-adviseur draagt samen met het afdelingshoofd zorg voor een besluit;
De Personeels- en salarisadministratie zorgt n.a.v. dit besluit maandelijks voor betaling van de vaste toelage ORT welke middels de uitbetaling van het salaris aan de medewerker wordt uitgekeerd;
Bij ziekte van de medewerker en de hierbij behorende korting van de bezoldiging na 6 maanden wordt ook de ORT evenredig aangepast conform de regelgeving omtrent korting van bezoldiging bij ziekte;
Indien er sprake is van een tussentijdse roosterwijziging, bijvoorbeeld als gevolg van het vertrek van een medewerker en een (tijdelijke) toename hierdoor van onregelmatig werken voor overige medewerkers, welke gevolgen heeft voor de hoogte van de ORT-toelage van een medewerker, dan zorgt de leidinggevende (samen met de P&O-adviseur) voor een mutatie naar de Personeels- en salarisadministratie. Indien er sprake is van een afname of wegvallen van onregelmatigheid dient vanzelfsprekend eveneens een mutatie ingediend te worden. Hierbij kan sprake zijn van een afbouwregeling (conform artikel 3:3:1:5 CAR/UR/NUR) indien voldaan wordt aan hetgeen is opgenomen in artikel 3:3:1:4 CAR/UR/NUR.